Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/177

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 163 —

eenen zaadkorrel bestaat daarin, dat die ontwikkeling aanvangt, met andere woorden, dat de kiem of het jeugdige plantje begint te groeijen, waarbij het zich aanvankelijk voedt uit de tevens in den zaadkorrel bevatte voedingsstoffen. De eerste voorwaarde daartoe is echter de tegenwoordigheid van water, ter oplossing van de reeds aanwezige oplosbare zelfstandigheden en tot te weeg brenging van die omzettingen, waardoor vroeger onoplosbare stoffen, gelijk b.v. het in de meeste zaden overvloedig voorkomende zetmeel, oplosbaar worden gemaakt. Waar het water ontbreekt, blijven die veranderingen uit, zonder dat daarom de zaden nog hun kiemvermogen verliezen. De ervaring heeft nu geleerd, dat dit kiemvermogen, dit sluimerend leven der zaden, zeer lang kan bewaard blijven. De zaden van het kruidje roer mij niet (Mimosa pudica) behouden dit vermogen 60 jaren lang, volgens anderen meer dan eene eeuw, mits zij op eene zeer drooge plaats bewaard worden. Snijboonen uit het herbarium van tournefort ontkiemden nog eene eeuw na zijnen dood. De Hoogleeraar fries te Upsala zag eene Hieracium-soort ontkiemen, welks zaden mede gedurende eene halve eeuw in een herbarium waren bewaard. Behalve deze goed waargenomen en stellig uitgemaakte feiten, zijn er nog eenige andere, waaruit blijken zoude, dat bij sommige zaden onder gunstige omstandigheden dit kiemvermogen nog veel langer kan blijven bestaan, doch welker juistheid door sommigen nog steeds betwijfeld wordt. Zoo vond men in 1834 in eenen zeer ouden grafheuvel (tumulus) bij Maidencastle in Engeland eene zekere hoeveelheid zaadkorrels, bevat in de buikholte van een menschelijk geraamte. Deze korrels, door lindley gezaaid, ontkiemden en gaven framboosplanten. In Frankrijk werden in het graf van eenen diaken, gestorven omstreeks het jaar 500, zaden van rosmarijn en chamille gevonden, die door croizet werden gezaaid en ontkiemden. Bij de opening van eenige oude gallische graven in eene gemeente van het departement der Dordogne, die naar alle waarschijnlijkheid uit de eerste eeuwen onzer jaartelling afkomstig waren, vond men onder de plek, waar het hoofd van den afgestorvenen gerust had, een klein gat geheel met zaadkorrels gevuld, die gezaaid zijnde kiemden, en, zoo als de daaruit voortgekomen planten