Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/183

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 169 —

hier nog gewag zoude kunnen maken van eigene onderzoekingen, welke mij mede daarvan ten volle overtuigd hebben.

De onderzoekingen van doyère nu hebben geleerd, dat deze diertjes,—welke geenszins tot de laagst georganiseerde behooren, maar daarentegen een vrij zamengesteld maaksel bezitten, en voorzien zijn van een groot aantal verschillende organen voor de onderscheidene levensverrigtingen,—door drooging boven zwavelzuur, en in het luchtledige op de meest volkomene wijze van alle vochten beroofd, toch later door bevochtiging weder tot het leven terug keeren, ofschoon daartoe dikwijls verscheidene uren, ja somtijds een of twee dagen vereischt worden. In den volkomen droogen toestand kunnen deze wezens zelfs worden blootgesteld aan eene luchtwarmte van 257° Fahr., dat is ver boven die van kokend water, zonder daardoor het vermogen tot herleving te verliezen.

Daar nu dezelfde dieren in den vochtigen toestand geene hoogere temperatuur kunnen verdragen dan van 120°, waarbij zij sterven, zoo is het duidelijk, dat die wederstand aan den invloed eener zoo hooge luchtwarmte alleen kan verklaard worden door de geheele afwezigheid van water, waardoor de eiwitachtige stollen in hunne ligchamen verhinderd worden te stremmen. Inderdaad kan het nu ook minder verwondering wekken, dat zulke diertjes, hoewel hun gewone levensduur slechts weinige dagen of weken bedraagt, eenmaal goed gedroogd zijnde, gedurende vele jaren onveranderd kunnen blijven, om vervolgens in water geplaatst weder te ontwaken en een nieuw leven te beginnen. Zoo b.v. zag schultze raderdiertjes, die vóór vier jaren gedroogd waren, weder herleven, en baker vermeldt dit zelfs van aaltjes, die hem zeven en twintig jaren vroeger door needham waren ter hand gesteld.

 

 

Na al het medegedeelde kan er derhalve wel geen twijfel meer bestaan, aangaande de onjuistheid der voorstelling, alsof leven en dood door eene onoverkomelijk diepe kloof van elkander gescheiden zouden zijn. Werpen wij eenen terugblik op het tot hiertoe behandelde.

Wij zagen dan, hoe tijdens den winterslaap alle levensverrigtingen