Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/189

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 175 —

hier te lande voorkomende soort, Bufo viridis) in de holte van den steen gezien hebben, dat zij te vergeefs naar eenig spoor hebben gezocht van eene spleet of opening die daarin vroeger kon bestaan hebben, dat de holte van binnen met kalksteen bekleed was, en — hetgeen inzonderheid opmerking 'verdient—dat ter plaatse, waar de kop met den binnenwand van dien kalksteen in aanraking was geweest, een indruk van dit deel in den steen zigtbaar was.

Heeft hier desniettegenstaande een opzettelijk bedrog plaats gehad? De mogelijkheid daarvan kan niet worden geloochend, ofschoon het uit het geheele verslag der commissie blijkt, dat zij dit niet aanneemt, maar integendeel het er voor houdt, dat de steen met de levende pad daarin op gemelde diepte gevonden is.

Gesteld nu dat er werkelijk zulke gevallen voorkomen, dan ontstaat de vraag: hoe lang kan zulk een dier in dien opgesloten toestand verkeerd hebben? Waar zij binnen in boomen gevonden zijn, kan het aantal der jaarringen om de plaats heen, waar het dier zich ophoudt, deze vraag beantwoorden. Richard bradley, de beroemde sterrekundige, is eenmaal ooggetuige geweest, dat men eene pad vond in het midden of het zoogenaamde hart van eenen dikken eikenboom. Seigne vermeldt er een, die, te oordeelen naar de dikte der omgevende houtlagen, 80 tot 100 jaren daarin gevangen was geweest. Dat nu padden in opene spleten of holten van boomen kruipen, om daar haren gewonen winterslaap te houden, is niets vreemds. Evenzeer bestaat de mogelijkheid, dat zij er later door een of ander toeval in moeten achterblijven, en dat dan de nieuwe hout- en bastlagen eindigen met het dier geheel te overdekken, gelijk jesse[1] dit werkelijk eenmaal gezien heeft aan eenen moerbezieboom, waarin eene pad, ter plaatse waar de boom zich in twee groote takken splitste, door de reeds over haar heengegroeide bast zoo vast besloten zat, dat zij er niet meer uit kon komen, en er eindelijk geheel door opgesloten werd.

Doch zelfs al toegegeven, dat in zulke gevallen werkelijk de winterslaap, die gewoonlijk slechts eenige maanden duurt, kan verlengd worden tot den tijd die noodig is voor de vorming van een tachtig-

  1. Revue brittannique 1849, T. I, p. 633.