Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/190

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 176 —

of honderdtal jaarringen, dan is de sprong nog verbazend groot, om daaruit te besluiten tot de mogelijkheid van het bestaan van levende padden in rotsgesteenten, waarvan de duur niet met jaren, maar met duizendtallen van jaren, ja met duizendtallen van eeuwen gemeten wordt. Zoo b.v. zoude men in eene steenkolenmijn te Penydouan in Zuid-Wallis op eene diepte van 105 voeten zulk een dier in de kolenblende gevonden hebben![1] Inderdaad het is te begrijpen, hoe ieder, die slechts eenige voorstelling heeft van de verbazend lange tijdruimte, welke het steenkolentijdperk van het onze scheidt, zulk eene bewering, zonder omwegen, onder de fabelen rangschikt.

Maar toch—de meeste mythen en sagen hebben, gelijk wij reeds opmerkten, eenige waarheid tot grondslag, en gewigtig is in elk geval de beantwoording der vraag: hoe lang kunnen padden, binnen eene vaste steenmassa besloten, haar sluimerend leven voortzetten? Reeds voorlang hebben de natuurkundigen dit ook ingezien, en proeven in het werk gesteld om tot de oplossing van dit vraagstuk te geraken. In 1770 werd bij het afbreken van eenen muur te Raincy eene levende pad gevonden binnen in gips of pleister, welke daarin omstreeks 40 jaren zoude bevat geweest zijn. Hérissant, lid der Fransche Akademie, ontving dit dier van den Hertog van Orleans, en sloot daarop een aantal padden in gips op, waarvan er verscheidene meer dan achttien maanden geleefd hebben.[2] Dergelijke proeven zijn later met gelijk gevolg herhaald door w. edwards.[3] Buckland sloot mede een aantal dezer dieren in zandsteen en in eenen poreuzen kalksteen op, en begroef hen verders in zijnen tuin. Na verloop van ruim een jaar werden zij opgegraven en bleek het, dat de in zandsteen beslotene dood en verrot, die in kalksteen nog levend doch zeer vermagerd waren, waaruit hij besluit dat zij niet lang meer zouden geleefd hebben.[4] Het volgende feit bewijst echter dat padden, op eene dergelijke wijze in gips besloten, veel langer in het leven kunnen blijven. Bij gelegenheid der zoo even vermelde vondst van

  1. Vermeld in goeppert's bekroonde prijsverhandeling over de steenkolenvorming, in Natuurk. Verhand. van de Holl. Maats, der Wetens, te Haarlem, 2e Verz. 1848. p. 99.
  2. Guettard, Mémoires, T. IV p. 615.
  3. Influence des agents physiques, p. 13.
  4. Revue Brittannigue 1849, I. p. 635.