Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/192

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 178 —

de overblijfselen van nagenoeg allen de blijken, dat zij reeds voor zeer langen tijd dood waren geweest.

De uitkomst dezer proef stemt derhalve niet overeen met hetgeen de bovengenoemden bij gelijksoortige proeven gevonden hebben. Doch het zoude voorzeker hoogst onjuist zijn uit deze hier verkregen ontkennende uitkomst het stellige besluit af te leiden, dat padden in zulk eenen opgesloten toestand nimmer lang leven kunnen. Het spreekt namelijk van zelf, dat daartoe zekere gunstige, ten deele welligt nog onbekende voorwaarden vereischt worden, van welker vervulling het welslagen der proef noodzakelijk afhangt.

Hoe het zij, zeker is het dat wij alleen op dien weg, den weg van zuivere onvervalschte ervaring, hopen kunnen de duisternis te verdrijven, waarin het vraagstuk, dat ons hier bezig hield, nog steeds gehuld is. Slechts hij, die eene oppervlakkige kennis van de natuur en hare verschijnselen heeft, is spoedig geneigd, om alles voor ongerijmd en onmogelijk te verklaren, wat aandruischt tegen hetgeen hij gewoon is als onveranderlijke, onomstootelijke natuurwetten te beschouwen; doch hij, die eenen dieperen blik heeft geslagen in de ons omringende schepping, die weet hoe betrekkelijk gering onze kennis nog is in verhouding tot het groote geheel dat te kennen valt, die bekend is met de geschiedenis der natuurwetenschappen en daaruit geleerd heeft, hoe veranderlijk het begrip der zoogenaamde natuurwetten is, omdat deze noodzakelijk slechts de slotsom uitdrukken der op dat tijdstip verkregen ervaring,—hij aarzelt langer, alvorens de waarheid van eene zaak, hoe vreemd en zonderling ook, voor onmogelijk te verklaren en haar bepaald te verwerpen. Even ver verwijderd van ligtgeloovigheid, die tot bijgeloof leidt, als van het ongeloof, dat voortvloeit uit eene te hooge schatting van eigen kennis, is hij, wel is waar, overtuigd, dat de natuur volgens vaste wetten beheerscht wordt, doch, terwijl hij streeft om deze nader en nader te leeren kennen, vergeet hij daarbij nimmer zijne eigene beperktheid en zwakheid, noch de grootheid en de almagt des Wetgevers.