Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/196

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 182 —

slaan; en ik zag tot mijne verwondering, dat verscheidene op diezelfde wijze afgedwaalde mieren, hoewel de afstand vrij groot en gras en andere planten tusschen beiden hinderpalen schenen te zijn, toch allen den regten weg wisten terug te vinden. Ik meen te hebben opgemerkt, dat zij gedurende den nacht het ijverigste en bedrijvigste schijnen te zijn; doorgaans ontbladeren zij in eenen nacht een' boom of verwoesten een geheel plantsoen. De Maniocvelden zijn het meest aan hare roofzucht blootgesteld, en de schade, die zij aan dat voor deze gewesten zoo nuttig gewas toebrengen, heeft aanleiding gegeven om haar naar deze plant te noemen. Het volgende kan tot een staaltje dienen van den spoed, waarmede deze roofinsekten te werk gaan.

Inwonende bij wijlen mijnen vriend en toenmaligen bevelhebber den kapitein ter zee kreekel, op een klein buitenverblijf met een' tamelijk grooten tuin, nabij de stad St. Salvador gelegen, erlangde deze mijn vriend van een Engelsch handelaar eene vrij aanzienlijke hoeveelheid aardappelen, met het doel om te beproeven of dit gewas in deze gewesten zou kunnen tieren. Na een kort verloop van tijd schoten zij in weelderigen groei op en beloofden veel, Ik had uit mijne slaapkamer, bijna onder het venster, het volle gezigt op ons plantsoen, dat ik voor zonsondergang, omstreeks zes uren, nog bezocht en in goeden welstand verlaten had, toen ik omstreeks elf uren mij ter ruste willende begeven, toevallig naar buiten ziende, bij het schemerende sterrelicht ontwaarde, dat de hoog opgeschoten planten verdwenen waren. Ik gaf er mijnen bevelhebber kennis van, en wij verkeerden in het denkbeeld, dat een of ander kwaadwillige die verwoesting had aangerigt. Bij nader onderzoek bleek het echter, dat de Formigas de manioc, in dien tusschentijd, alles naar hun roof hol hadden gesleept en nog bezig waren met de kleinste sprankjes weg te voeren. Bij het aanbreken van den dag was er geen spoor van het heirleger roovers te ontdekken.

Heeft de scherpziende natuuronderzoeker niet dikwijls met verbazing zekere geheimzinnige onverklaarbare eigenschappen, zelfs bij de nietigste insekten waargenomen, die aan zekere, alleen dat schepsel eigene zintuigen doen denken, welke het geschikt maken om in allen deele aan deszelfs bestemming als een schakel van de on-