Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/201

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 187 —

gij niet waar, dat uwe hand nat wordt als gij ze in het water dompelt? Stijgt niet de thee in een stuk suiker, de inkt in de pen, de olie in de lampenkousen op? En waarom dat? Omdat deze vloeistoffen door de ligchamen waarmede zij in aanraking zijn gebragt, aangetrokken worden. Maar de natuurkundigen, die hunne wetenschap op eenen vasten grondslag moeten opbouwen, hebben zich met zoodanige proeven niet kunnen vergenoegen, en derhalve met de fijnste en best bewerkte toestellen, onder inachtneming der grootste zorg en naauwkeurigheid, nog andere proeven dienaangaande gedaan, en daarbij steeds de stelling bewaarheid gevonden, dat alle ligchamen elkander aantrekken.

Bij de genoemde naauwkeurige proeven heeft men echter nog meer opgemerkt. In de eerste plaats vertoonde zich de aantrekkende werking des te grooter, naar gelang het aantrekkende ligchaam een grooter gewigt bezat, zoodat dus een bol van twee ponden ook juist eene tweemaal zoo groote aantrekking uitoefende als eene andere bol van één pond. De stof, waaruit het aantrekkend ligchaam bestaat, heeft daarbij hoegenaamd geen invloed, en twee bollen van hetzelfde gewigt, de eene van lood, de andere van ijzer, hebben in dit opzigt gelijke werking. Deze door de ervaring vastgestelde wet drukken wij op de volgende wijze in woorden uit:

De aantrekkingskrachten van twee ligchamen op gelijke afstanden van het aangetrokken ligchaam staan in dezelfde verhouding (in regte reden) als hunne gewigten.

Ten tweede zag men de aantrekkingskracht verminderen, wanneer men het aantrekkend ligchaam verwijderde, zoo als ook moest verwacht worden; want altijd zal de invloed, van welken aard ook, dien het eene op het andere uitoefent, met de vermeerdering van den afstand minder worden. Men zoude nu wel vermeenen, dat op den dubbelen afstand de aantrekkingskracht tweemaal kleiner, dus de helft, en op den drie- en viervoudigen afstand, slechts een derde en een vierde gedeelte van de vroegere, op den enkelen afstand bestaande aantrekkingskracht moest zijn. Maar uit de proeven is dit niet gebleken; men moest veeleer daaruit besluiten, dat de aantrekkende werking met de vermeerdering van den afstand eene