Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/206

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 192 —

bergs, dan moest de draad in de rigting naar het zwaartepunt van den berg, nagenoeg horizontaal, dus in de lijn d i komen, wanneer de berg aan de regterzijde van de figuur ondersteld wordt te zijn. Door de vereenigde werking beider krachten, neemt de draad de schuinsche rigting d l aan. Uit de eerste wetten der werktuigkunde volgt, dat, indien men de lijn h l evenwijdig aan de lijn d i trekt, de verhouding der lijnen d h en h l ook de verhouding der beide straks genoemde krachten uitdrukt. Deze verhouding van h l tot d h wordt echter zeer gemakkelijk uit den afwijkingshoek h d l berekend, die door de boven opgestelde handelwijze gevonden is. Wij maken hieruit op, dat de aantrekkingskracht des bergs zich verhoudt tot de geheele zwaartekracht als de bekende lijnen h l en d h. Maar beide krachten staan nog tot elkander in de zamengestelde reden van, ten eerste, het gewigt des bergs tot het gewigt der aarde; en ten tweede omgekeerd, als de afstand van het zwaartepunt des bergs en de afstand van het middelpunt der aarde tot aan het schietlood. In deze eenvoudige evenredigheid, welker oplossing op een gemakkelijk vraagstuk des regels van drieën nederkomt, is alles gegeven, behalve het gewigt der aarde, hetgeen daaruit wordt gevonden.

Deelen wij ten slotte nog mede, wat de uitkomsten zijn geweest van deze moeijelijke proeven, gedaan door maskelyne in de jaren van 1774 tot 1776. Alle omstandigheden naauwkeurig in aanmerking genomen, in welker bijzonderheden wij hier niet willen treden, berekende men uit de verkregen uitkomsten, dat de geheele aarde gemiddeld 1,8 maal zwaarder moest zijn, dan een even groote inhoud van de rotsmassa, waaruit de berg bestaat. Wij zullen dit nog trachten duidelijker te maken. Het is bekend dat een kubieke palm of eene kan zuiver water een gewigt heeft van één Nederlandsch pond. De rotsen van den Shehallien bestaan uit eene massa van gedeeltelijk basalt- en syenietachtige, gedeeltelijk kalkachtige gesteenten, wier soortelijk gewigt tusschen 2¾ en 3 aangenomen kan worden, zoodat een kubieke palm daarvan een gewigt heeft van 2¾ tot 3 ponden. Van de geheele aarde zoude intusschen, volgens de proeven en berekeningen, elke kubieke palm nog 1,8 maal