Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/213

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 199 —

De zakkijkers van molteni kunnen, zoodanig als zij worden afgeleverd, evenmin als die uit het Optisch Instituut te München of andere fabrieken, voor de beschouwing der hemellichten worden aangewend. Zij zijn uitsluitend bestemd voor de beschouwing van aardsche voorwerpen, en zijn daarom met oogbuizen toegerust, wier vergrooting veel te gering is om de waarneming van merkwaardige bijzonderheden bij de hemellichten toe te laten. Zij worden zonder voeten afgeleverd, terwijl het onmogelijk is, door die werktuigen met eenige naauwkeurigheid de hemellichten te beschouwen, zoo zij niet op voeten rusten, door welke zij in elken willekeurigen stand kunnen worden vastgezet en zachtkens verplaatst, naar de schijnbare beweging van het hemellicht, dat men beschouwen wil. De grootere kijkers, voor sterrekundig gebruik bestemd, worden daarom met voeten en sterk vergrootende zoogenaamde sterrekundige oogbuizen toegerust, maar de invloed van die toevoegsels laat zich, maar al te zeer, aan hunne prijzen bemerken. Plössl te Weenen schijnt, onder alle vervaardigers van optische werktuigen, de eenige te zijn, die begrepen heeft, dat ook zakkijkers met vrucht voor de beschouwing van hemellichten kunnen worden aangewend. In zijne prijscourant zijn ook sterrekundige oogbuizen en voeten voor zakkijkers opgenomen, en zijn zijne sterrekundige oogbuizen voortreffelijk en tevens niet zeer kostbaar, de door hem uitgedachte voeten voor zakkijkers zijn duur, en daarbij nog voor hun doel volstrekt onbruikbaar. Ik heb voeten voor zakkijkers bedacht, voor hun doel zeer geschikt, die door elken schrijnwerker voor eenen onbeduidenden prijs vervaardigd kunnen worden; maar ik moest bovendien voor sterrekundige oogbuizen zorgen, zoo ik wilde, dat de kijkers van molteni aan de beschouwing van hemellichten werden dienstbaar gemaakt. Het is natuurlijk, dat ik die oogbuizen, in de eerste plaats, van molteni zelven begeerde, maar er verliep een zeer geruime tijd voor dat aan deze mijne begeerte werd voldaan, en wel, zoo als mij dat nader is gebleken, alleenlijk dewijl molteni volstrekt niet kon begrijpen, dat wij, hier te lande, zoogenaamde zakkijkers naar de hemellichten wilden rigten. Dat ongeloof was te verontschuldigen bij eenen man, wonende in de stad,