Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/218

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 204 —

geheel ingeschoven, zoo heeft de kijker eene lengte van nagenoeg 2 palmen 6 duimen, en zijn al die buizen zoo ver mogelijk uitgehaald, zoo wordt zijne lengte nagenoeg 8 palmen 3 duimen. Bij het beschouwen van ver verwijderde aardsche voorwerpen, moet de dunste buis, die de oogglazen bevat, gedeeltelijk worden ingeschoven, en dan verkrijgt de kijker eene lengte van 7 palmen 8 duimen. De dikste buis, die het voorwerpglas bevat, en bij het gebruik van den kijker, het verst van het oog wordt verwijderd, heeft eene middellijn van 4 duim 8 strepen, en de dunste, die de oogglazen bevat, heeft eene middellijn van 2 duim 6 strepen. De middellijn van het voorwerpglas, verminderd met het gedeelte dat bedekt wordt door den ring waarin het gevat is, dat is, de vrije opening van den kijker, bedraagt, op zeer weinig na, 4 Ned. duimen en alzoo iets minder dan 18 Parijsche lijnen. De volgende figuur 1

Fig. 1 eenvoudige kijker

stelt den kijker zoodanig voor, als hij bij het beschouwen van ver verwijderde aardsche voorwerpen moet zijn uitgeschoven, en, onder de afbeelding van het ligchaam des kijkers, zijn de juiste plaatsen aangewezen, die daarbij door de glazen worden ingenomen. Alle buizen des kijkers zijn uit koper vervaardigd, maar het gedeelte van d tot e is met palissanderhout bekleed. Aan dat gedeelte moet men den kijker bij voorkeur aanvatten, omdat de koperen deelen des kijkers, door het aanvatten met de handen, spoedig hun schoon voorkomen verliezen. De deelen van a tot b, van c tot d en van e tot ƒ, over welke geene buizen behoeven heen te glijden, zijn vernist. De overige deelen, van b tot c en van f tot i, zijn