Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/241

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

GROOTE UITWERKSELEN


VAN

ZEER KLEINE BEWEGINGEN.

DOOR

P. VAN DER BURG.

 

 

Indien wij de verschijnselen, die zich dagelijks in de natuur voor onze oogen opdoen, met opmerkzaamheid gadeslaan, dan is zeker de onafgebrokene afwisseling, waarmede zij gestadig optreden, wel geschikt, om die opmerkzaamheid levendig te houden. Nergens vinden wij rust, nergens volstrekte bewegingloosheid. Tallooze veranderingen grijpen, gedurende een' enkelen dag, plaats in den toestand van den dampkring of de luchtmassa, die onze aarde omringt; die aarde zelve voert ons met eene onbegrijpelijke snelheid voortdurend naar andere oorden der hemelruimte, en legt ons te gelijk, door hare draaijing om zich zelve, verschillende deelen dier ruimte ter beschouwing bloot; een aantal andere bollen zien wij met die aarde eene gelijksoortige beweging maken; en hoewel het ons nog niet gegeven is te weten, wat er in de verst afgelegene deelen des uitspansels met de overige hemelligchamen, ten aanzien dier beweging geschiedt, wij mogen uit de gedane waarnemingen als vrij zeker aannemen, dat ook deze aan eene geregelde plaatsverandering zijn onderworpen. En waar zouden wij beginnen, waar eindigen, zoo wij den lezer het oog naar beneden wilden doen slaan op den bodem, die hem draagt, en doen opmerken, wat daar in plant en dier en in de aardkorst zelve, voor zoo verre ons dit bekend is, voorvalt? Ons eigen ligchaam treedt vooral met kracht als getuige op voor de waarheid der stelling: niets is er te midden van al het geschapene, dat in volstrekte rust verkeert!—Zijn wij heden dezelfde, die wij gisteren, wat zeg ik, die wij eene enkele seconde geleden waren?