Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/242

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 228 —

Maar komen er in het opgesomde hoofdzakelijk slechts bewegingen voor, die als van zelve in het oog vallen, hoe menigvuldig zijn de veranderingen,—want deze toch zijn onafscheidelijk aan beweging verbonden,—die door den minder opmerkzame in het geheel niet worden waargenomen. Het zal genoeg zijn, in dat opzigt alleen te wijzen op de beweging, die, onder den invloed der dagelijks terugkeerende zonnewarmte, in de ons omringende onbewerktuigde stoffen plaats grijpt. Met het toenemen der warmte zetten alle stoffen zich uit; zij moeten onder haren invloed eene grootere ruimte innemen; terwijl hare vermindering eene ineenkrimping veroorzaakt. Groeit derhalve de warmte des daags aan, zoo verwijderen de stofdeeltjes, waaruit de ligchamen bestaan, zich verder van elkander, en naar gelang de warmte afneemt, sluiten zich die deelen weder digter aaneen. Ook in dat opzigt dus:—eeuwigdurende beweging. Het is duidelijk, dat wij hier de verandering in den toestand van de vochtigheid der lucht geenszins buitensluiten; wat ook deze voor zich zelve op de ligchamen vermag, behoeft zeker naauwelijks te worden aangewezen.

Evenwel ook die altijd voortdurende beurtelingsche verwijdering en toenadering der kleinste deelen van eene stof, onder den invloed der warmte, 13 weder veelal groot genoeg, om, zoo er de opmerkzaamheid op gevestigd wordt, en de daartoe noodige hulpmiddelen worden aangewend, deze beweging met het oog te kunnen waarnemen;—maar ziet, er zijn bewegingen, die in het geheel niet zuiver waarneembaar zijn; wier bestaan men tot nog toe alleen mag vooronderstellen; doch welk bestaan uit zulk eene groote menigte waarneembare verschijnselen wordt bewezen, dat men het inderdaad niet kan loochenen.

Wij hebben het plan gevormd, om met deze soort van bewegingen den lezer eenige oogenblikken bezig te houden, en willen ze hier als werkelijk voorvallende aannemen.

De bewegingen, die wij op het oog hebben, zijn bekend onder den naam van golvingen, slingeringen of trillingen. Hare beschouwing behoort tot de aangenaamste en uitlokkendste onderwerpen der natuurkunde. Mogten deze regelen iets bijdragen, om den lezer dit met ons te doen instemmen.