Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/256

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 242 —

De vraag zweeft den lezer waarschijnlijk op de lippen: maar waarom zien wij de ligchamen dan niet allen wit, indien zij door het zonnelicht worden bestraald? De natuuronderzoeker antwoordt, omdat de ligchamen, die wij gekleurd zien, het vermogen bezitten, om een deel der zeven kleuren op te slorpen, als het ware in zich op te nemen, én een ander deel terug te kaatsen. Dat teruggekaatste licht bepaalt de kleur der stof. Roode stoffen zenden dus die kleuren van het witte licht, dat zij ontvangen, af, waarin het rood den boventoon voert; de stralen, waarin het geel en blaauw voorkomen, slorpt die stof op, of houdt die in zich besloten. Zoo is het met al de overige kleuren gesteld. Wit levert dus een geheel, eene zekere volheid van kleuren; witte ligchamen zenden dus al de gekleurde stralen vereenigd van zich af; zwarte slorpen alle kleuren op; zwart is dus een gemis van alle kleur. Van daar welligt, dat eene ons van alle zijden omringende, zwarte kleur, bij voorbeeld eene vorstelijke rouwzaal, ons tot somberheid stemt, en het ongekleurde gewone licht ons gemoed meer verlevendigt.

Maar er is nog iets bij het geluid of de luchtgolven behandeld, dat wij gevoegelijk op de aethertrillingen kunnen overdragen. Wij spraken vroeger van harmoniërende toonen, en van den aangenamen indruk, dien zij op ons te weeg brengen. Er zijn inderdaad ook harmoniërende lichttoonen;—vergun ons nogmaals het gebruik van dat woord. Er zijn namelijk sommige kleuren, wier bij elkander plaatsing ons bevredigt, ons genoegen doet, terwijl andere in ons iets onvoldaans opwekken. Plaats bijvoorbeeld rood bij groen, of geel bij violet, of blaauw bij oranje, wij zullen daarbij geene de minste onaangename gewaarwording verkrijgen. Leg daar en tegen geel of groen bij blaauw, of rood bij oranje, het zal ons niet bevredigen. De rozenknop zijn rood kruintje uit het groene buitenbekleedsel dringende, wordt, zoowel als het viooltje, welks bladen met gele en violette kleuren zijn uitgedoscht, bij voorkeur gekozen door de schoone, die haar bloemenmandje wil aanvullen. Merkt het op, hoe lang zij bij het kiezen der kleuren, voor eenig vrouwelijk handwerk benoodigd, in beraad staat, en telkens de naast elkander gelegene kleuren met de woorden: "dat kleurt niet," door andere