Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/275

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 261 —

wordt jules gérard door de Arabieren geacht en bemind; met hunne zeden en taal bekend, is hij een kostbare reisgezel voor dengene, wiens inborst genot vindt in het avontuurlijke jagersleven, en zijne kennismaking, die later eene innige gehechtheid werd, behoort onder de schoonste herinneringen van onzen zwerftogt door Algerië.

 

 

Er zijn twee soorten, of liever verscheidenheden, van leeuwen in het noorden van Afrika, de zwarte en de rosharige, door de Arabieren: el adréa en el zarzoeri genaamd. De eerste is de zeldzaamste maar de meest gevreesde. Hij is sterker gebouwd dan de andere, breeder van kop, borst en lendenen, doch meer ineen gedrongen. Zijne kleur gelijkt het meest op die van een donkerbruin paard, terwijl de dikke lange manen zwart zijn. Hij weegt van 250 tot 300 Ned. ponden; de lengte van het lijf van eenen gedooden volwassen leeuw, op de plaats gemeten, werd bevonden van den neus af tot het begin van den staart, die ééne el lengte heeft, vijf ellebogen, (de voorarm gemeten tot de spits van de uitgestrekte hand), terwijl het voorhoofd ééne elleboog breed was.

De rosharige leeuw is grooter dan de bovengenoemde en slanker van ligchaam. De sierlijke krachtige bouw doet zich het schoonst opmerken wanneer de huid afgehaald is, en herinnert aan de kat, tot welk geslacht hij ook behoort.

De zwarte leeuw zwerft niet rond zoo als de roode, maar zoekt een' goeden schuilhoek in het gebergte en blijft zich daar een twintigtal jaren soms ophouden. Zeldzaam komt hij in de vlakte, maar beloert de kudden wanneer zij 's avonds uit het gebergte terugkeeren en doodt eenige runderen om hun bloed te drinken. In de lange zomeravonden verlaat hij zijne verblijfplaats tegen het ondergaan der zon, en vat post op een voetpad tusschen de rotsen om een' ruiter of eenzamen voetganger af te wachten. Lange jaren had zich een zwarte leeuw opgehouden in het Aures-gebergte nabij Oertèn, alwaar hij den weg naar Krenchela onveilig maakte. In eenen ouden olijfboom waren de teekenen zijner klaauwen nog zigtbaar, die hij gewoon was tegen den stam te scherpen.