Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/279

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 265 —


Machieona in de nabijheid van Djelma; het land der Ouled-Shamza en vooral het wilde Aures-gebergte,[1] waar hij zich steeds eenigen tijd ophoudt, wanneer hij in den paartijd van Tunis naar Marokko trekt.

In deze streek, in de vallei van Oertèn, hadden wij met jules gérard, na te zamen den veldtogt in het Babor-gebergte te hebben bijgewoond, onze tenten opgeslagen. Laatstgenoemde had zich herwaarts begeven op de bede van den stam der Amàmera's, om hen te verlossen van een leeuwenpaar, dat hen sints lang verontrustte.

Wanneer in den herfst de vlakten door de plasregens in moerassen zijn veranderd, trekken de stammen naar de hellingen van bovengemelde boschrijke gebergten, om zich van hout te voorzien, en verblijven aldaar den winter. Hier vinden zij jaarlijks de oude legerplaatsen terug en tevens hunnen ouden vijand, den leeuw, die even als zij de winterkwartieren betrokken heeft, maar met wien zij den open strijd vooreerst niet durven aanvangen. Gewoonlijk wordt nu een valkuil (zoebia) gegraven, op de volgende wijze. — De Arabieren voegen zich altijd met familiën van denzelfden stam, ten getale van tien tot dertig tenten, bij elkander en weiden gemeenschappelijk. Deze tenten (guitoen) worden in een cirkel tegen elkander geplaatst met eenen uit- en ingang voor het vee, welke des avonds door eene verhakking van takken en boomstammen, ter hoogte van een paar el, gesloten worden. Dusdanige vereeniging, onder opzigt van een Cheik of Kaïd, noemen zij doeär.

Aan de hooge zijde van den doeär, 'die gewoonlijk op de helling der bergen geplaatst is, wordt een kuil gegraven van 10 ellen diep en 5 breed, en iets wijder onder dan boven. Opdat de kudde zich des nachts niet verloope, wordt het midden van het park door eene heg van de zoebia gescheiden, en, door de verhakking verborgen, is van buiten niets daarvan zigtbaar; 's avonds wordt de kudde

  1. Aurès, het oude aurasius der Romeinen, is een gebergte, gelegen in het zuiden der provincie Constantine. Procopius spreekt er omstandig over in zijn verhaal van den oorlog der Wandalen, en roemt zijne ongemeene vruchtbaarheid. De Romeinen hadden groote moeite er zich meester van te maken. Thans verstaat men onder den naam Aurès, de gansche dorre streek van Batna af ten westen, tot Tebessa ten oosten, en die de Tell (het vruchtbare gedeelte) van de Sah'ra afscheidt.