Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/330

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 316 —

dier het opstijgen tot eene zoo groote hoogte zeer gemakkelijk wordt. Het meest opmerkenswaardig zijn zijne krachtige verteringswerktuigen. De slokdarm, de krop, die, als hij gevuld is, op eene afzigtelijke wijze naar beneden hangt, en de maag, zijn bijzonder wijd en digt bezet met fijne knobbels, waaruit steeds eene groote hoeveelheid sterkriekend verteringssap vloeit, dat in korten tijd de grootste beenderen oplost.—De inhoud van eene maag eens pas geschoten vogels brengt de jagers dikwijls in verbazing en overtreft alles wat men omtrent de vraatzucht en verteerkracht van andere roofvogels in ons werelddeel weet. Zoo vond men in de maag van eenen Gier vijf beenderen van een runderribstuk, ieder omstreeks 5 N. duim dik en 15 duim lang, een haarbal, waarschijnlijk op het punt geweest zijnde van uitgeworpen te moeten worden, want ofschoon men dikwijls heeft gezegd dat de Lammergier geen haar of wol van de vellen der verslondene dieren uitwerpt, is het tegendeel herhaaldelijk bij gevangene individuen waargenomen. Bovendien was nog een geheel been eener jonge geit, van de knie af, in deze maag aanwezig. De beenderen waren reeds door de werking van het maagsap met kleine gaten doorboord, en die welke in de darmen waren, bleken geheel murw en kalkachtig te zijn.

In eene andere maag vond men eene rib van een vos, 3 à 4 palmen lang, een geheelen vossenstaart, den achterpoot van een haas, verscheidene schouderbeenderen van dit dier en een haarbal.

Nog grooter maaltijd bleek een door Dr. schint geschoten vogel gedaan te hebben. Zijne maag bevatte het heupbeen eener koe, het scheenbeen van eene gems, een half verteerde rib van eene gems, verscheidene kleine beenderen, haar en de klaauwen van een berkhoen. Deze dieren waren alzoo na elkander de prooi van dezen Gier geweest.

Het maagsap doet de beenderen laagsgewijs verteren. De voedzame lijmstof wordt opgelost, de kalkdeelen worden afgevoerd.

Men vindt hierin weder eene wijze voorzorg der natuur, en de schadelijkheid van den Gier is door deze zamenstelling zeer verminderd: moest toch dit dier zijne groote behoefte alleen door vleesch bevredigen, dan zou het dikwijls van honger moeten sterven en zijne geweldige strooptogten zouden de Alpen spoedig van al het wild berooven. De kracht van het maagsap is zeer buiten-