Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/339

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 325 —

Wanneer men de struisachtige met de overige vogels vergelijkt, zoo blijkt het, dat zij de meeste verwantschap vertoonen met de hoenderachtige en moerasvogels of steltloopers. Zij hebben, even als eerstgenoemde vogels, de schenkels tot aan den voetwortel met vederen bedekt, of, wanneer die, zoo als bij de Afrikaansche struizen, ontbreken, is de schenkel met eene naakte huid bekleed; bij de steltloopers daarentegen, is het ondergedeelte van den schenkel steeds niet alleen naakt, maar ook met schubben of schilden bedekt. Sommige koetachtige vogels herinneren aan de struisachtige zelfs eenigzins door hunne vleugels: dit zijn de Ocydromus van NieuwZeeland, wier vleugelpennen week en gekromd, ofschoon niet donsachtig en los, zoo als bij de struizen, zijn, en ook, zoo als bij vele andere waterhoentjes, dienen om den loop des vogels te versnellen.

De veelvuldige afwijkingen, welke de verschillende soorten der struisachtige vogels onderling aanbieden, verhinderen ons, hare bijzonderheden verder in het algemeen te ontwikkelen. Wij zullen die bij iedere onderafdeeling of soort in het bijzonder aanvoeren, en ons nu vergenoegen, met de geographische verspreiding dezer dieren nader uiteen te zetten. Wij hebben reeds gezegd, dat zij over Afrika en verscheidene streken van het zuidelijk halfrond verspreid zijn. Deze streken zijn, wat de nieuwe wereld betreft, het grootste gedeelte van Zuid-Amerika van Brasilië tot Patagonië. In de oude wereld komen zij in Afrika en verder oostelijk voor op Madagaskar, Bourbon, Ile de France en Rodriguez, op de Moluksche eilanden, Nieuw-Guinea, het vaste land van Australië en Nieuw-Zeeland. Amerika heeft twee soorten van dit geslacht; Afrika eene soort, die echter twee onder-soorten of rassen vormt; op Madagaskar komt er eene of misschien twee voor; Bourbon, Ile de France en Rodriguez was het vaderland van vijf verschillende soorten; op de Molukken, Nieuw-Guinea en de noordelijke streken van Australië wordt eene soort gevonden, die echter waarschijnlijk twee rassen vormt; het overige Australië voedt slechts eene soort, terwijl in Nieuw-Zeeland ten minste zeven tot acht, en onder deze zeer groote soorten gevonden worden. Het blijkt uit deze opgaaf, dat de drie kleine eilanden ten oosten van Madagas-