Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/349

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 335 —

zien geweest was, werd het door den graaf g. e. von solms, te 's Gravenhage woonachtig, gekocht. Deze gaf het later aan den keurvorst ernest van Keulen, die het op zijne beurt aan den Keizer rudolph den Tweeden ten geschenke aangeboden heeft.

De overige soorten van struisachtige vogels, over welke wij nu nog zullen handelen, zijn grootendeels minder bekend dan de voorgaande; zij hebben eene veel meer beperkte verbreiding, en de meeste van hen zijn door den mensch verdelgd, en behooren nu reeds niet meer tot de hedendaagsche geschiedenis van den aardbol.


DE STRUISACHTIGE VOGELS VAN MADAGASKAR.

De Fransche reiziger flacourt, die gedurende de jaren 1655 tot 1657 op Madagaskar vertoefde, en een werk over dit eiland heeft uitgegeven, geeft in eene naamlijst der merkwaardigste soorten dier streken, ook een vogel op, welke door de inboorlingen Varounpatra genoemd wordt, en van welken hij het volgende verhaalt. "Dit is een groote vogel, die zich in de Ampâtres (een landschap in het zuiden van het eiland) ophoudt, en eijeren legt zoo als de Struisvogel. Het is eene soort van Struis. De inboorlingen kunnen hem niet vangen. Hij bewoont de meest woeste streken." De Fransche reizigers sganzin en goudot, de eerste in 1831, de tweede in 1833, hadden op Madagascar de eijeren van eenen zeer grooten vogel gezien, maar de berigten hieromtrent werden slechts later en ter loops bekend gemaakt. In 1848 zag een ander Franschman, de heer dumarele, aan de noordwestpunt van het eiland, een ei van eene buitengewone grootte, maar kon het, als behoorende aan eenen inlandschen chef, die het om zijne buitengewone zeldzaamheid op hoogen prijs stelde, niet magtig worden. Deze inboorlingen vertelden hem ook, dat de vogel, welke deze eijeren legt, nog op het eiland leeft; maar bewoners van andere streken verzekeren, dat hij niet meer bestaat, en een vogel was, zoo krachtig, dat hij eenen os kon dooden. In 1850 eindelijk werden twee dezer eijeren van den reuzenvogel en eenige beenstukken, door den gezagvoerder van een koopvaardijvaarder, die eenigen tijd aan de Zuidwestkust van Madagaskar vertoefde, verkregen, en aan het Museum te