Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/355

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 341 —

Wij zullen nu trachten de gestalte en het wezen van den' Dodo in groote trekken te schilderen. De reizigers geven eenparig op dat deze vogel een gewigt van vijftig pond had; en vergelijken hem, wat zijne grootte betreft, met een zwaren zwaan of grooten kalkoen. Een vette kalkoen weegt intusschen hoogstens twintig pond, en ofschoon de bek, kop, hals en pooten van den Dodo veel krachtiger waren dan van den kalkoen, moet de romp van den Dodo aanzienlijk grooter geweest zijn dan die van eenen kalkoen, om bovengenoemd gewigt vol te maken. De kop van den Dodo, met den bek, had eene lengte van ruim twee derde van eenen voet. De bek was krachtig, meer hoog dan breed, op meer dan de helft zijner lengte tot achter de oogen en den mondhoek met eene naakte huid bekleed, van voren met eene hoornschede bedekt, die aan de bovenkaak in eene korte naar voren en beneden gerigte punt uitliep. De langwerpige neusgaten doorboorden de bovenkaak in den hoek, gevormd door den achterrand der hoornschede en den zij rand der bovenkaak. Het voorhoofd was verheven. De middelmatige oogen lagen ver naar achteren. De mond was tot een weinig achter de oogen gespleten. De hals was langen zeer krachtig; de romp buitengewoon dik en vet, met eene vooruitstekende borst. De pooten waren zeer krachtig en tot aan den voetwortel met vederen bedekt. Deze was zeer dik, niet geheel een halve voet lang, en met schubben bekleed. Er waren vier dikke, middelmatig lange, van boven met breede schilden bedekte teenen zonder zwemvliezen aanwezig. De nagels waren dik, kegelvormig en een weinig gekromd. De zool van den voet vormde eene breede vlakte. De vleugels waren zeer kort en, in stede van pennen, met zachte, losse, omgekrulde, breede vederen voorzien, geheel zoo als men die bij de Struizen opmerkt. Dergelijke vederen, ten getalle van zes tot acht, vervingen ook de plaats der staartpennen. De vederen van het ligchaam waren afgerond en zacht, verkregen echter aan het bovengedeelte van den hals en op den kop eene langwerpige, haarachtige gedaante, en hielden op aan de huidplooi, welke, van het voorhoofd, achter de oogen, het oor en den mondhoek tot onder de keel verliep en het naakte gedeelte van den voor-