Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/366

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


RATTENKRUID-ETERS.

 

 

Onder de vergiften, die het delfstoffelijke rijk oplevert, is het rattenkruid of arsenicum, voorzeker een der hevigste en gevaarlijkste. Ieder onzer lezers denkt bij het vernemen van dien naam aan een zwaar vergift, dat door de misdaad bij voorkeur tot werktuig wordt gekozen, en dat nog vaker door achteloosheid tot betreurenswaardige vergiftigings-gevallen aanleiding geeft. Reeds betrekkelijk kleine hoeveelheden zijn voldoende om meer of minder belangrijke vergiftigings-verschijnselen op te wekken. Ja men leest van slepende rattenkruids-vergiftigingen, die door het gebruik—maar het aanhoudend gebruik—van uiterst geringe hoeveelheden rattenkruid zouden ontstaan, en welke, na eene reeks van ziekelijke verschijnselen ten gevolge gehad te hebben, eindelijk, na maanden en zelfs na jaren, in den dood zouden geëindigd zijn.

Bij dit alles moet het ons vreemd voorkomen, wanneer wij hooren van menschen, die van het gebruik van rattenkruid eene gewoonte maken, zonder dat dit hun nadeel schijnt te berokkenen. Het is echter zeker, dat er zulke menschen, zulke rattenkruid-eters, zijn. Hetgeen j.f. von tschudi daarvan niet lang geleden heeft medegedeeld, is zoo belangrijk, dat het wel eene kleine plaats in dit Album verdient.

De gewoonte, arsenicum te eten, is in de bergstreken van Oostenrijk, Stiermark, en bepaaldelijk in Salzburg en Tyrol tamelijk algemeen verbreid, vooral onder de gemzenjagers. De rattenkruideters verschaffen zich het rattenkruid onder den naam van Hedri (Hidri, Hidrich—Huttenrook) van rondtrekkende kruidenverzamelaars, die het in de Hongaarsche glashutten koopen van de arbeiders; of zij verkrijgen het van veeartsen, kwakzalvers enz. Hun oogmerk bij het gebruik van dit vergift is tweeledig. In de eerste