Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/383

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 369 —

darm geraakt, door den mond namelijk. Bij de Kruipende dieren en de Vogelen zijn de neusgaten wel is waar de eigenlijke uitwendige openingen der longen, maar deze laatste liggen toch nog zelve in eene en dezelfde holte met de organen der spijsvertering, en bij eenige der eersten, namelijk de Kikvorschachtige dieren en de Schildpadden, wordt de lucht op dezelfde wijze als het voedsel, namelijk door slikken, naar binnen gedreven. Bij de Zoogdieren eindelijk bereikt de afscheiding der beide verrigtingen hare hoogste volkomenheid, doordien borst- en buikholte door het middenrif geheel van elkander gescheiden zijn.

De bij uitstek dus genoemde dierlijke vermogens volmaken zich op dezelfde wijze.

Bij de Infusoriën en Polypen geschiedt de beweging door de beurtelingsche zamentrekking en ontspanning van de geheele massa des ligchaams, en, waar afzonderlijke bewegingsorganen bestaan, is hun maaksel toch van die des overigen ligchaams niet of weinig verschillend. Komt men hooger, dan ontmoet men al spoedig deelen, die tot niets anders dan tot beweging dienen: zamentrekbare vezels en spieren, en deze worden eindelijk genoegzaam bij uitsluiting de werktuigen voor deze verrigting. Bij een groot aantal der lagere dieren is de beweging, welke de zamentrekking van ééne spier te weeg brengt, zeer beperkt, en om eene eenigzins uitgestrektere beweging mogelijk te maken, heeft de natuur in 't eerst slechts de hoeveelheid der bewegingsorganen vermeerderd, door dezelfde spier een aantal malen te herhalen. Maar bij de Insekten, de Spinnen en de Schaaldieren treffen wij, behalve spieren, ook door die spieren bewogene hefboomen aan,—een stelsel van hardere, onderling tot zekere hoogte verplaatsbare deelen, waaraan de spieren zich vasthechten,—door welke inrigting de bewegingen in uitgestrektheid, juistheid en kracht winnen. Dit stelsel van hefboomen wordt hier evenwel nog gevormd door een orgaan, dat reeds bij de lagere dieren aanwezig was en tevens tot andere verrigtingen dient; het is de in maaksel gewijzigde, meer of minder verharde, in ringen verdeelde huid. Eerst bij de Gewervelde dieren vindt men een geheel zelfstandig stelsel van hefboomen, een geraamte. De voortgaande ontwikkeling van dat ge-