Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/454

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 44 —

Bewondert men de schoone inrigting van het spinsel, men zal als van zelf gedrongen worden te vragen: hoe maakt de tor dit kunstig hulkje, hoe legt zij hare eitjes in dat welgesloten drijvend huisje? Oppervlakkig beschouwd zal men de zaak onbegrijpelijk vinden, en al peinst men diep en lang, men zal het raadsel niet oplossen. Er staat ons ook hier slechts één weg open, om tot de waarheid, tot helder inzigt der zaak te komen, de weg van waarneming van wat de natuur wrocht en werkt. De leerschool Gods staat boven die der menschen; daar geest en waarheid, hier hersenschimmen en dwaling.


Fig. 9, 10, 11, 12.

De voortreffelijke lyonet lichte ons met zijne schoone waarnemingen voor, terwijl wij tevens acht slaan op die van miger.[1] Tot opheldering dienen fig. 9—12, naar pl. 13 van de Recherches en fig. 13 naar miger's pl. 28, fig. 3.


  1. Westwood, in zijne Introduction, vol. I, 125. schijnt lyonet niet te hebben begrepen, als hij meent, dat evengenoemde stelt, dat de cocon gevormd is uit fijne takjes van confervae, terwijl alleen miger de afscheiding van eene zijdeachtige en gommige stof zou opgeven.