Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/467

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

IETS OVER DEN EPYORNIS.



Het zal, naar ik vertrouw, den lezers van het Album, wier aandacht onlangs werd gevestigd op eenen grooten geheimzinnigen vogel, welligt nog op Madagascar levende, niet ongevallig zijn eenige nadere berigten daarvan te vernemen. Zij zijn ontleend aan N°. 18 der Comptes rendus des séances de l'acad. des sciences, 30 Oct. 1854. Het ontvangen van het fragment van een scheenbeen en van het linker schaambeen van dien vogel, welken men Epyornis heet, gaven aanleiding tot eene korte aanteekening van twee fransche naturalisten, beide even beroemd, duvernoy en valenciennes, die uit de vergelijking dezer fragmenten en van het vroeger ontvangen metatarsaalbeen met de vogelgeraamten van het museum van den Jardin des Plantes, de voorstelling opperen, dat de Epyornis geenszins tot de struisachtige vogels zoude behooren, waartoe j. geoffroy st. hilaire en schlegel hem brengen, maar veeleer een reusachtige zwemvogel zoude wezen. Valenciennes is niet ongenegen den Epyornis te plaatsen tusschen de Pinguins (Alken) en den Vinduiker (Aptenodytes). Hij roept in het geheugen terug de vleugellooze Alk (Alca impennis), waarvan de eijeren zeer groot zijn, en herinnert dat de zeeën van Zuid-Afrika sterk bevolkt zijn met een groot aantal dezer zwem- en duikvogels, die hun element slechts verlaten, om zich met moeite op het rotsachtig strand voort te slepen. Zij verhouden zich tot de vogels als de Zeehonden tot de zoogdieren. Vele dezer kortvleugelige vogels begraven hunne eijeren onder het zand, hetgeen overeenkomt met de omstandigheden, waaronder men de eijeren van den Epyornis vond.