Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/468

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 58 —

Hierbij komt, dat men de ligchaamsgrootte der vogels geenszins kan afleiden uit den omvang hunner eijeren. Er zijn betrekkelijk kleine vogels, die zeer groote eijeren leggen, en het ei van den struisvogel is in verhouding tot zijn ligchaam kleiner, dan dat van eene zwaan in verhouding tot het hare.

Wegens al deze gronden, achten duvernoy en valenciennes het niet onmogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat de Epyornis een zwemvogel is. Ik zal daaromtrent niet beslissen, slechts het afgietsel van het ei van den Epyornis kennende; maar bij het groot verschil van meening omtrent den rang aan den Dodo toe te kennen, acht ik het niet onbelangrijk, de aandacht kortelijk te vestigen op de zeer onderscheidene zienswijze omtrent een' vogel, waarvan men slechts het kolossale ei en een paar beenstukken kent. Volgens den een' toch is hij een struisvogel, volgens den ander een zwem vogel, met de Alken verwant. Voorzigtiger ware het voorzeker, de zaak onbeslist te laten, tot men er iets meer van wete.

W.V.