Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/476

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 66 —

beweging van het voorwerp niet eenparig, zoo zal de doorgeloopene ruimte in het geheel niet kunnen dienen om den tijd te meten, ten zij men naauwkeurig bekend is met de veranderingen, welke die beweging ondergaat; en ook dan zal de verloopen tijd niet onmiddellijk door de doorgeloopene ruimte worden gemeten, maar, alleen door de tusschenkomst van meer of min zamengestelde berekeningen, daaruit kunnen worden afgeleid. Een uurwerk is dus in zich zelf volkomen, wanneer zijne wijzers zich altijd met volmaakt dezelfde snelheid rond bewegen, of wel met eene veranderlijke snelheid, die eene bepaalde en bekende wet volkomen opvolgt, zoo dat hare veranderlijkheid met alle juistheid kan worden in rekening gebragt. Het is onvergelijkelijk ligter de wijzers van een uurwerk eene eenparige beweging te doen nabootsen, dan eene onregelmatige, die eene bepaalde wet moet volgen, en daar ook alleen de eerstgenoemde onmiddellijk, d.i. zonder tusschenkomst van berekeningen, den verloopenen tijd doet kennen, heeft men er zich alleen op toegelegd, om de wijzers van een uurwerk een' zoo na mogelijk eenparigen gang te doen aannemen. De uurwerken zouden dus volmaakt genoemd kunnen worden, indien hunne wijzers altijd met volkomen dezelfde snelheid werden rondbewogen; maar in weerwil van alle pogingen, heeft men dit doel nimmer kunnen bereiken, en als het op het juiste uitmeten van den tijd aankomt, moet men altijd de onregelmatigheden in den gang der uurwerken, die zij tegen den wil hunner vervaardigers openbaren, met juistheid bepalen en in rekening brengen.

Wanneer een uurwerk in zich zelf volmaakt is, en alzoo zijne wijzers zich steeds met volkomen dezelfde snelheid bewegen, dan zal het ook, aan dezelfde plaats, de verhouding tusschen tijdsverloopen met eene volkomene juistheid doen kennen. Wil men echter aan verschillende plaatsen, door verschillende uurwerken, in staat gesteld worden om tij ds verloopen met elkander te vergelijken, zoo is daartoe de volkomenheid der uurwerken in zich zelven niet genoeg. Dan moeten de wijzers van elk uurwerk op zich zelf niet slechts altijd met dezelfde snelheid voortgaan, maar moeten bovendien de wijzers der verschillende uurwerken in volkomen de-