Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/477

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 67 —

zelfde tijdvakken hunne wentelingen om het middelpunt der wijzerplaat volbrengen, of wel men moet de verhouding tusschen die tijdvakken, bij de verschillende uurwerken, met juistheid kennen. Het natuurlijkst is dat men de wijzers van alle uurwerken elke wenteling laat volbrengen in juist hetzelfde tijdvak, dat men als de eenheid voor het meten van den tijd heeft aangenomen. Daarop heeft men zich ook toegelegd, maar men moest daarbij overeenkomen omtrent een tijdvak, dat zich als eene eenheid voor het meten van den tijd geschikt betoonde, en dat tijdvak moest noodwendig zoodanig worden gekozen, dat het zich naauwkeurig liet bepalen door verschijnselen, van welke men wist, dat zij telkens na 'gelijke tijdsverloopen moesten wederkeeren. In het dagelijksch leven, zoo wel als bij wetenschappelijke onderzoekingen, moet men het tijdstip, waarop eene gebeurtenis plaatsheeft, weten uit te drukken. Dit kan alleen geschieden door het tijdvak te vermelden, verloopen tusschen die gebeurtenis en eene andere, van welke men weet wanneer zij plaats moet hebben; en al kon men door verschillende uurwerken alle tijdvakken met eene volkomene juistheid onderling vergelijken, de tijd waarop eene gebeurtenis plaats heeft kan niet worden uitgedrukt, ten zij men is overeengekomen omtrent een tijdstip, bij hetwelk alle andere worden vergeleken, en dat algemeen wordt aangenomen als het oogenblik, van waar men het tellen van den tijd begint. Het doelmatig gebruik der uurwerken vordert alzoo de keuze van een tijdvak, als eene eenheid voor het meten van den tijd, en van een tijdstip, van hetwelk men het tellen van den tijd begint. Voor het een zoo wel als voor het ander is men genoodzaakt tot de verschijnselen aan den hemel zijne toevlugt te nemen.

Wegens de wenteling der aarde om hare as, schijnt ons de geheele hemel zich dagelijks om de aarde te wentelen, en als een vast punt van den hemel, na zich om ons te hebben rondbewogen, tot denzelfden stand met betrekking tot den grond, dien wij bewonen, of met betrekking tot de voorwerpen, die ons omringen, is teruggekeerd, heeft de aarde juist eene wenteling om hare as volbragt. Zoo wel de rede als de ervaring leeren ons, dat de wentelende be-