Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/479

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 69 —

gingen van den geheelen hemel, maar naar die van een enkel zijner lichten geregeld, namelijk naar die van de zon, wier verschijnen en verdwijnen de natuurlijke tijden van werkzaamheid en van rust bepaalt. In het maatschappelijk leven moet daarom de wijze om den tijd te tellen en te meten aan de standen en de schijnbare beweging van de zon worden ontleend, door welke laatste de wentelende beweging der aarde niet met juistheid wordt afgespiegeld, daar de zon geen vast punt van den hemel is. Wegens de jaarlijksche kringvormige beweging van de aarde om de zon, schijnt de zon zelve ons zich aanhoudend met betrekking tot de sterren te verplaatsen, in eene rigting tegenovergesteld aan die, in welke de hemel zich dagelijks om de aarde schijnt te wentelen, en zoodanig, dat zij ineen jaar, na den geheelen hemel te hebben rondgeloopen, tot dezelfde sterren wederkeert. Heeft de aarde eene wenteling om hare as volbragt, zoo heeft zij de zon nog niet tot den meridiaan van dezelfde plaats teruggevoerd, omdat de zon zich inmiddels aan den hemel naar het oosten heeft voortbewogen. Het tijdsverloop tusschen twee op elkander volgende doorgangen van de zon door het zuiden duurt omtrent vier minuten langer dan eene wenteling der aarde, of een sterredag, en wordt een zonne-dag genoemd. De zonnedag wordt, even als de sterredag, in zijne uren, minuten en secunden verdeeld, en kan, onder zekere voorwaarden, even goed als deze, als eene eenheid voor het meten van den tijd worden aangenomen. Met deze eenheid kan men de telling van den tijd met het tijdstip beginnen, op hetwelk door de zon een bepaalde stand wordt ingenomen, en de tijd, aldus geteld en gemeten, zal dan geen' anderen naam dan dien van zonnetijd kunnen dragen. De zonnetijd van een bepaald oogenblik is het aantal zonne-uren, minuten en secunden, sedert den laatsten doorgang van de zon door het zuiden verloopen.

Het tellen en meten van den tijd, naar de standen en de schijnbare beweging van de zon, hoe onvermijdelijk in het maatschappelijk leven, heeft zijne eigenaardige moeijelijkheden, en kan alleen onder bepaalde voorwaarden met de noodige naauwkeurigheid geschieden. De zonnedagen hebben namelijk niet op alle tijden des