Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/529

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 119 —

vond ik, in de Annales des sciences naturelles van 1853, daarvan een sprekend bewijs, ten opzigte eener barbeel-soort (Barbus callensis), over welke men vroeger had aangegeven, dat zij leefde in het heete water van den Hammam-Meskhoutin, eene warme bron in Algerie, provincie Constantine. Ziet hier, wat daarvan is. Bij zijnen oorsprong heeft het water van die bron niet minder dan 95° C. Hierin is dus geen leven mogelijk; men kookt er eijeren in gaar. Haar water echter koelt al spoedig bij haar verder verloop af. De beek die het vormt, is iets minder heet; bij den eersten waterval dien zij oplevert, 63° C.; bij een tweede verval teekent het water reeds niet meer dan 57° C, en bij den laatsten val, daar waar de beek zich uitstort in het riviertje genaamd Oued Chedakra, houdt het water, ofschoon nog vrij warm, slechts hoogstens 40° C. Dit laatste riviertje nu, waarin het terstond nog veel wordt afgekoeld, levert tot aan dien val verscheidene dieren op, vooral kikvorschen, alen en barbelen. Op deze plaats, waar het water echter nog zoo warm was, dat gervais er zijn hand niet langer dan 20 seconden kon inhouden, op die plaats van zamenkomst of overgang van het warme in het koude water, heeft hij barbelen met den stroom van het water, doch aan de overzijde en langs den grond, zien voortzwemmen; alle wagen echter dien doortogt niet, maar sommigen keeren op dit punt gekomen terug. Welken warmtegraad het water daar ter plaatse en onder de genoemde omstandigheden heeft, en beneden den waterval behoudt, heeft de schrijver, vreemd genoeg, niet aangeteekend. Dit staat intusschen vast, dat men uit deze omschrijving zoo veel leert, dat het geheel onjuist zou zijn, hier te willen beweren: dat de Barbus callensis "in het heete bronwater van den Meskhoutin" kan leven!—De soort van water, zout of zoet, waarin de visschen leven, is voor de meesten vrij standvastig. Enkele, zooals de zalmen, kunnen zich zoowel in zout als in zoet water ophouden, voor eenigen tijd. Voor anderen is de zee bepaald noodzakelijk. Dit is, onder anderen, in den regel het geval met de afdeeling der kraakbeenigen. De groote meerderheid der visschen behoort dan ook tot de zeebewoners; het getal dezer soorten zou tot dat der zoetwater-visschen staan, als 3 tot 1. In den loop der