Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/528

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 118 —

visschen, wier zwemblaas gemeenschap met de buitenwereld heeft, zou het dalen ook kunnen geschieden eenvoudig door het uitlaten van luchl. Visschen, bij welke dit bewegings- vermogen minder of niet aan den wil is onderworpen, schijnen alzoo aan bepaalde diepten in de zee gebonden te zijn. Wanneer de zoodanige, aan angellijnen, met spoed uit de diepte naar boven worden gehaald, ziet men soms hunne zwemblaas bersten, door hare sterke uitzetting bij de eensklaps verminderde uitwendige drukking. Het vermogen van te kunnen rijzen of zakken, dient den visschen ook in zoo verre, als zij daardoor de voor hen meest geschikte temperatuur kunnen opzoeken. De gemiddelde warmtegraad, dien de zeevisschen verkiezen, schijnt van 15° C. of 59° P. te zijn. Velen kunnen overigens eene koude verdragen, die het vriespunt zeer nabij komt. Ook onze gewone zoetwatervisschen houden zich in ijskoud water uitmuntend, zoo als ik, èn in de natuur èn bij proeven, meermalen heb gezien. Zelfs wil men in het ijs ingevrozene visschen hebben gevonden, alwaar zij door hunne beweging (en geringe eigene warmte?) eene kleine ruimte openhielden. Een' hoogen warmtegraad kunnen zij in elk geval veel minder verdragen. En wanneer men hier den regel waarneemt, dat die hun weldra doodelijk is, zoo valt het wel eens moeijelijk geloof te slaan aan de uitzonderingen daaromtrent opgegeven. Zoo wil desfontaines, te Cafsa in Tunis, eene soort van brasem (Sparus) levende hebben gevonden in warme bronnen van 37° C. of 99° E. Veel sterker voorbeeld nog vindt men aangehaald door Prof. van der hoeven, ten opzigte eener Cyprinus-soort, de Cyprinus (of Leuciscus) thermalis van Ceylon. Deze zou bestand zijn tegen de warmte van 50° C, of 122° E., der heete bronnen op dit eiland! Het kan waar zijn, doch zeker is het, dat onze voorn, brasem, baars en dergelijken in water van die temperatuur naauwelijks eenige minuten in het leven kunnen blijven. Althans bij hunnen overgang van gewoon water van 15° C. in water van 40 á 50° zag ik hen spoedig bezwijken. Niet minder zeker acht ik het ook, dat men de eenvoudige opgaven hieromtrent, door ze in de bijzonheden na te gaan, beter leert waarderen, en ziet, dat men op de hoegrootheid der temperatuur dan nog al kan afdingen. Bij gervais