Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/534

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 124 —

na het verschijnsel werd echter door Dr. jürgens van Werl, openlijk verklaard, dat het geen voorteeken was, maar de bewijzen van zijne stelling moest hij schuldig blijven. Acht dagen later werd door den Rector deneke, ter geruststelling van het algemeen, eene poging aangewend om het bovennatuurlijk verschijnsel uit natuurlijke oorzaken af te leiden. Volgens hem was het verschijnsel niet dan eene luchtspiegeling, door wölke het een of ander krijgsheer van het buitenland, naar het oog van de onthutste beschouwers werd teruggekaatst. Niemand kon of wilde echter gelooven, dat een verwijderd krijgsheer, zoo als dat van het oorlogsveld der Turken, door terugkaatsing, in de velden bij Büderich zoude zijn waargenomen.

Het bovennatuurlijk krijgsheer bij Büderich gezien, heeft in Duitschland veel opschudding verwekt, maar hoezeer het wonderbaarlijke gewoon is ook bij ons grooten bijval te vinden, schijnt het hier te lande niet of naauwelijks te zijn bekend geworden. Het moet echter bij ons niet zoo geheel en al met stilzwijgen worden voorbij gegaan, want het lot, dat dit verschijnsel heeft ondervonden, is bij uitstek geschikt, om eene vergelijking te maken, tusschen den nuchteren prosaïschen geest van den tegenwoordigen tijd en de dichterlijke verbeelding van vroegere eeuwen. Voor nog slechts een paar eeuwen zoude dit verschijnsel geheel Europa in rep en roer hebben gebragt, in de geschiedboeken met levendige trekken geschilderd zijn als een teeken van den dreigenden toorn des Hemels, en maatregelen hebben uitgelokt om dien toorn aftewenden. Nu werd het, zelfs in een naburig land, ter naauwernood bekend en door velen, droog weg, voor een verschijnsel verklaard, dat eene natuurlijke oorzaak hebben moest. Nog voor een paar eeuwen zag men aan den hemel wangedrochten, uit menschen en krokodillen zamengesteld, en draken met bloedroode staarten, vurige vleugels blaauwe voeten en met slangen omwondene koppen[1], en nu gunt men den vreedzamen landbewoner niet eens het gezigt van mannen, paarden en kanonnen op den grond, tenzij men weet van waar die


  1. stichtelijke verhalen van dien aard vindt men in menigte in het werk van stanislaus de lubienitz, Theatrum cometicum, opus mathematicum, physicum, politicum, ethicum, juridicum, theologicum etc. 1666.