Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/535

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 125 —

kwamen en waar zij henen gingen. Die prozaïsche geest van den tegen woordi gen tijd is een gevolg van het ongeloof der tegenwoordige natuurkenners, die altijd het hoe en het waarom der dingen willen weten, en alle wonderbaarlijke dingen, die zich thans vertoonen, navorschen, ontleden en uitpluizen, totdat zij al hunne wonderbaarlijkheid verloren hebben. Tot die ongeloovige napluizers behoorde ook alexander von humboldt, die reeds bij voorraad aan het krijgsheer bij Büderich gezien alle bovennatuurlijkheid ontzegde, en den sterrekundigen heis van Münster uitnoodigde, om, aan de plaats zelve, een streng onderzoek omtrent dit verschijnsel in het werk te stellen. Heis begaf zich naar Büderich en nam, geholpen door de overheid der plaats, zoo vele ooggetuigen van het verschijnsel, als zich bijeen lieten brengen, in een streng verhoor. Het bleek al spoedig, dat die ooggetuigen wel ter goeder trouw hadden berigt wat zij meenden te hebben waargenomen, maar dat zij toch ook niet op een zoo streng verhoor gerekend hadden, en door de duidelijke en stellige vragen van heis in groote verlegenheid werden gebragt. Zoo wist niemand op zijne vraag, naar de kleur van de uniform der soldaten, een antwoord te geven, en op zijne vraag, waarom men het voorbijtrekkend heer voor een krijgsheer en niet voor eene kudde koeijen of schapen had gehouden, verkreeg hij geen ander antwoord, dan dat koeijen en schapen zoo hard niet hadden kunnen loopen. Na een zeer langdurig verhoor bleek het ten laatste, dat niemand met zekerheid mannen, paarden en kanonnen had kunnen onderscheiden, maar dat alle ooggetuigen voorwerpen, wier gedaante zich niet duidelijk erkennen liet, en die zich schielijk voortbewogen, eenvoudiglijk daarvoor hadden aangezien. Een van hen had reeds onder het verschijnsel gezegd, dat het wel uit enkel nevel kon bestaan, en inderdaad is, door de bemoeijing van heis, het bovennatuurlijk krijgsheer ten laatste geheel in eenen ongewonen nevel opgelost.

De dag van den 22sten Januarij 1854 was, voor den tijd des jaars, buitengewoon helder en warm geweest. Ofschoon het den volgenden nacht vroor, werd te Munster, in den namiddag van dien dag, de thermometer op meer dan zes graden Reaumur