Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/536

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 126 —

boven nul waargenomen, maar des avonds daalde hij weder tot nagenoeg het vriespunt. Blijkens de waarnemingen te Munster was de lucht in den avond van den 2sten Januarij bijna geheel van waterdamp verzadigd en daarom moest de bekoeling van de lucht, tegen het ondergaan der zon, noodwendig een sterk nederslaan van den waterdamp ten gevolge hebben. Het verschijnsel was niet, gelijk men vroeger had vermeld, op den vollen dag, maar, blijkens de nasporingen van heis, alleen tegen het ondergaan der zon waargenomen. Toen vormde zich een lage nevelbank over het veld, die inderdaad ook aan andere plaatsen was opgemerkt, maar die zich bij Büderich in dunnere en digtere deelen scheidde, met welke de wind zoodanig speelde, dat zij het aanzien van bewegelijke voorwerpen verkregen. Het bovennatuurlijk krijgsheer had zich ook, blijkens de onderzoekingen van heis, juist in de rigting van den wind bewogen en het werd door hem ten duidelijkste bewezen, dat het geen anderen oorsprong had, dan in een meer dan gewoon, maar zeer natuurlijk, nederslaan van den waterdamp.

Het was niet zoo ligt den oorsprong van het brandende huis te ontdekken, aan welks verschijning, na het onderzoek van heis, niet getwijfeld kon worden, maar ook dit gelukte volkomen. Na den omtrek naauwkeurig te hebben opgenomen, bleek het heis, dat aan de plaats op den weg, waar het brandend huis was gezien, een huis, op een goed half uur afstands van daar verwijderd, dooreen naderbij gelegenen heuvel even werd bedekt, zoodat men, een weinig in de hoogte stijgende, met eenen kijker, het dak van dat huis, boven den heuvel, kon ontwaren. Dat huis was juist in de rigting geplaatst, waarin, naar de beschrijving der ooggetuigen, het brandend huis verschenen was, en de ramen van zijnen voorgevel waren juist zoodanig naar den westelijken hemel gekeerd, dat daarop de stralen van de ondergaande zon of van het avondrood, dien dag, naar de waarnemers teruggekaatst moesten worden. Heis verklaarde, met het grootste regt, dat dit huis boven den heuvel was verschenen, om de vertooning van het brandende huis temaken, maar hij schreef dit toe aan eene buitengewone dampheffing, terwijl hij niets buitengewoons had behoeven aan te nemen. Even zoo als de hemellichten zich, wegens de buiging