Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/538

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

DE ZAKBOOM.

 

 

De "zakboom" (Antiaris saccifera), welke in Bengalen groeit, is een reusachtige boom, die eenen omvang van 18 voeten bereikt. Wanneer de vrucht gewond wordt, vloeit er, even als uit de boomen, die de veerkrachtige gom of caoutchouc leveren, een melkachtig sap uit, dat aan de lucht verhardt. De inwendige bast van dezen boom is van dit melksap doordrongen en bestaat uit zulke taaije vezelen, dat zij zich laten vlechten en tot bindgaren gebruiken. Zijnen naam draagt deze boom naar een eigendommelijk gebruik, hetwelk men van den bast maakt. Verlangt men namelijk eenen zak, om daarin drooge of zelfs vochtige voorwerpen te bewaren, dan snijdt men van den boom eenen tak af, die zoo lang is als de zak, dien men vervaardigen wil. Dezen tak weekt men in water en klopt hem vervolgens, de spits verschoonende, met een stuk hout zoo lang, totdat de bast van het onderliggend hout loslaat en dit nog slechts als een mantel omgeeft. Door met kloppen voort te gaan, maakt men den zak dunner en wanneer deze wijd genoeg is geworden, schuift men hem van den tak af, terwijl de ongekwetste spits tot bodem van den zak dient. De inlanders noemen den boom Inzoogry of Karwat (Bot. Zeit. 1852, p. 583).

Hg.