Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/562

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 152 —

tot 8° bezat, deelt zich, vrij wordende, aan den thermometer mede, en doet hem dus rijzen. Bij het bevriezen des waters echter, ontdekt men niets van die vrij wordende warmte; de reden daarvan is, dat de kristallisering van het ijs zeer langzaam plaats grijpt. Indien water bij 0° bevriest, dan begint die bevriezing op verschillende punten te gelijk, en op deze punten geven de eerst vastwordende deeltjes hunne gebondene warmte aan de naastbijzijnde af, die daardoor nog eenige oogenblikken vloeibaar blijven. Daardoor ontstaan die dunne ijsnaalden, waarvan straks is gesproken en die in de vloeistof zich verspreiden. Op deze wijze verbreidt zich die gebondene warmte van punt tot punt en bewerkt eene langzame bevriezing des waters en trapsgewijze toeneming in dikte van het ijs; zonder deze warmte zoude de geheele vloeistof, tot op het vriespunt verkoeld, eensklaps vast worden.

Wij hebben reeds gezien dat het water, even voordat het tot ijs overgaat, zich uitzet; deze uitzetting is echter nog aanmerkelijker wanneer het water werkelijk tot ijs wordt; zij bedraagt namelijk 110 van de uitgebreidheid, die het als water had. Heeft men b.v. eene hoeveelheid van 10 kannen water, dan zal deze, wanneer dit water tot ijs is geworden, 11 kannen bedragen. Ziedaar dan de oorzaak, waarom het ijs op het water drijft; immers het is door die uitzetting 110 ligter geworden, en moet dus, aan de wetten der zwaartekracht gehoorzamende, drijven.

Staan wij thans eenige oogenblikken stil bij het bevriezen van stroomende wateren. De ijsvorming begint gewoonlijk aan de oevers, daar deze meer wind afkeeren, hoewel de golvende beweging des waters dit ijs grootendeels belet zich vast te zetten. Vervolgens breidt het zich van de oevers meer en meer naar het midden toe uit. In het midden des strooms, waar de afkoeling der oppervlakte niet zoo regelmatig plaats vindt als aan de oevers, vormen zich aanvankelijk kleine stukken ijs, die, tegen andere aandrijvende, vast vriezen, en aldus al grooter en grooter worden. Deze stukken worden nog vermeerderd door het grondijs, hetwelk, zoo als ik hierna wil vermelden, op den bodem gevormd wordt, en, naar de oppervlakte des strooms opstijgende, zich met de schotsen vereenigt. De tusschenruimte tusschen deze hoe langer hoe kleiner wor-