Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/564

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 154 —

op den aardbodem bevinden, hetzij zij vast, vloeibaar of gasvormig zijn, bestaan uit ondenkbaar kleine deeltjes, die als voor verdere verdeeling onvatbaar moeten beschouwd worden, en daarom met een van het grieksch afgeleid woord, atomen genoemd worden. Ik heb reeds aangemerkt, dat het water bij zijne vastwording den kristalvorm aanneemt. Deze kristallisatie gaat van de atomen des waters uit, en nu stelle men zich voor, dat deze, zich als het ware gereed makende, om te kristalliseren, zich daarbij van elkander verwijderen, en dan daardoor eene grootere ruimte moeten innemen, dan zij in den vloeibaren toestand bezaten; en, aangezien die uitzetting op alle punten des waters tegelijk plaats heeft, moet dit noodwendig plotseling geschieden en met aanmerkelijke kracht vergezeld gaan.

Verder zoude die uitzetting van het ijs, hoewel zulks onjuist is, gedeeltelijk ook op rekening van de lucht, die in het water bevat is, moeten gesteld worden, die natuurlijk niet tot den vasten toestand kan overgaan, maar gedurende het bevriezen in oneindig fijne blaasjes afgezonderd wordt, welke het ijs meer of minder ondoorschijnend maken en met het bloote oog duidelijk zigtbaar zijn. Men heeft wel beproefd om het water, alvorens het bevroor, door koken of door middel der luchtpomp van luchtdeelen te berooven, maar niet te min het daaruit gevormde ijs met blaasjes gevonden. Indien men echter overgehaald, dat is scheikundig gezuiverd water in eenen kleinen glazen bol zoo lang kookt, dat de lucht uit het bovenste gedeelte des bols uitgedreven en door waterdamp is vervangen, daarna den bol goed digtkurkt, en het water dan laat bevriezen, dan verkrijgt men een volkomen doorschijnend ijs, hetwelk alleen van het water te onderkennen is door de terugkaatsing van het licht, welke door de kristalvlakken van het ijs wordt te weeg gebragt.

Maar ook dit ijs is ligter dan water, waaruit voortvloeit, dat de gemelde uitzetting, van de lucht in het ijs onafhankelijk moet geacht worden.

Het is een eigenaardig verschijnsel, dat het zeewater, hetwelk vele zoutdeelen bevat, langzamer bevriest niet alleen, maar ook dat bevroren zeewater geen zouten maar een' zoeten smaak heeft, even alsof het rivierwater