Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/596

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 186 —

kan worden. Dit was dan ook in vele vroegere verhalen reeds dui- delijk op te merken. Het inzwelgen van den mensch in zijn ge- heel, wat meer is, het vinden van een geheel paard in de maag van eenen monster-haai, zulke opgaven verdienen eene krachtige bevestiging, vinden voorzeker geen onvoorwaardelijk geloof. Van den anderen kant evenwel moet men hier niet uit het oog verliezen, dat het wel in de menschelijke natuur ligt, gevaren, die hem omringen , nog te vergrooten , maar dat hierdoor zich het feitelijk bestaan dier gevaren niet verliest. Uit overdrijving aan den eenen kant mag niet tot ontkenning aan de andere zijde worden besloten , en men zou eene verkeerde gevolgtrekking maken, wanneer men uit deze opgaaf af- leidde dat de haaijen voor den mensch weinig of niet scha- delijk zijn. Bleeker's opgaaf, voor den Oost-Indischen Archipel, in hare volle waarde erkennende, meen ik toch te mogen opmer- ken, dat door haar de zekerheid der vele mededeelingen over het gevaar van de haaijen voor den mensch, op andere plaatsen van den Oceaan , volstrekt niet zal moeten worden geloochend. Het komt mij zelfs niet onwaarschijnlijk voor, dat bleekee voornamelijk haai-soorten zal hebben onderzocht van exemplaren op de kusten verzameld. Het kan zeer wel zijn , dat de grootere individuen van dezen zich hoog of diep in zee, of ook in andere zeeën, ophou- den. Aan de opgaven over de buitengewone grootte van vele haai- jen , door het scheeps-volk midden in zee gevangen , valt toch wel niet te twijfelen, evenmin als aan die over hunne vraat-zucht. Zoo verzekert commerson, dat een haai zich aanhoudend in de hoogte wierp naar eenen neger, die aan de eerste ra hoog boven de zee hing, en dit zoo lang, tot hij hem bereikt en bij stukken verslonden had. Zoo was de heer potter in vroegere ja- ren ooggetuige van het verslinden van eenen matroos door eenen haai. Ook bowerbank berigtte voor weinige jaren over denzelfden dood van een' kapitein van eenen walvisch-vaarder. De luitenant ter zee 1ste klasse jansen en andere zee-officieren bevestigden mij het feit van het afbijten van beenen bij zwemmende schepelingen door deze visschen. Te vele getuigenissen van dien aard , hun ge- vaar voor zwemmers, koraal-duikers, over boord gevallen matro-