Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/601

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 191 —

men vroeg ; "van waar komen toch de witte muizen ?" en dat ik bij het antwoord, "uit de natuur," werd aangekeken, als ware men verwonderd over zulk een eenvoud. Voor hen , die aan de gegrond- heid van dit antwoord mogten twijfelen, zij hier aangeteekend , dat wij in het Museum hebben witte haas, eekhoorn, korhoen, patrijs, spreeuw, lijster, musch, boerenzwaluw, allen in het wild gevangen; zoo zag ik voor eenige jaren witte eksters, levende in eene kooi. Had men van elke soort eens een paar gevangen en ware het mogelijk geweest dit in het leven te houden , zou het dan vreemder zijn geweest een wit ras te bestendigen, dan van konij- nen of paarden, van hoenders of duiven? Het antwoord ligt voor de hand.

Van berkhey deelt mede, dat de spierwitte muizen (en ratten) somwijlen als eene bijzondere soort schijnen te zijn, alzoo zij in 1760, 1761 tot aan 1780 in menigte gevangen werden, zoodat men schier overal in de saletten der jufferschap witte muizen in glazen en traliekooijen opvoedde, en als eene aardigheid aan een zilveren kettingje en halsbandje liet spelen; doch welke mode dra verdween, omdat de diertjes een andere dan rozengeur van zich gaven. Op het land verdween deze verscheidenheid ook weder. Verg. Mag. v. Vaderl. Landbouw, II. 204.

Cl. M.