Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/604

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 194 —

tensten geeft men den naam van nevenregenboog. De binnenste of hoofdregenboog toont meestal alle de kleuren van het prismabeeld. Het rood vormt den buitensten rand; de diameter van den rooden boog is dus grooter dan die der overige kleuren. De binnenste rand wordt gevormd door het violet, welke dus den kleinsten diameter aanbiedt. De kleuren daartusschen volgen op elkander even als bij het door een prisma gebroken zonnebeeld. In den nevenregenboog vertoonen de kleuren eene tegenovergestelde orde; het violet maakt daar den buitensten, het rood den binnensten rand. Aan den binnensten rand van den hoofdregenboog ziet men soms in concentrische smalle strooken eene herhaling van het groen en violet, welke eigenlijk niet tot den hoofdregenboog behoort en als een nevenboog moet worden aangemerkt. Zelden, zoo als ieder weet, wordt dit schoone schouwspel in die volmaaktheid waargenomen; zelfs is de hoofdregenboog niet altoos in zijn geheel, terwijl het toppunt zich veelal niet zeer hoog boven den horizont bevindt. Wij hebben daar zoo even reeds gezegd, dat de zon tegenover den regenboog geplaatst is. Het is echter niet noodzakelijk dat de zon zich voor het oog des waarnemers onbedekt voordoet; als slechts de stralen vrij, niet door wolken belemmerd, op het gedeelte des hemels kunnen vallen waar voor ons oog de regenboog zich bevindt, zal het verschijnsel kunnen ontstaan.

Dat reeds lang geleden de natuurkundigen voor dit verheven verschijnsel eene verklaring hebben gezocht, uit de natuur der dingen ontleend, zal u wel niet bevreemden, en zonder u de geschiedenis geheel mede te deelen, zal het u toch niet onbelangrijk zijn te vernemen, dat zelfs reeds in 1311 eene vrij juiste verklaring van den regenboog is gegeven; alhoewel wij eerst aan newton eene volledige theorie te danken hebben, die dezen in alle zijne deelen als een, bij gunstige omstandigheden noodzakelijk gevolg der eigenschappen van het licht heeft doen kennen.

Deze volledige verklaring nu, reeds lang en algemeen bij de natuurkundigen bekend, kan onmogelijk gegeven worden zonder wiskunstige beschouwing. Een voldoend denkbeeld echter van de wijze waarop het verschijnsel wordt verklaard, geloof ik u te kunnen