Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/636

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 226 —

kleed der mythe gehuld, later door het bijgeluof met godsdiensti- gen eerbied als ingevingen van hoogere wezens beschouwd. Zij dragen den stempel van de mate van natuurkennis dergenen , die daarin de slotsom hunner bespiegelingen uitdrukten , welke wel op er- varing steunden, maar op eene ervaring, die uiterst beperkt was, zoo- dat de verbeelding de wijde gapingen moest aanvullen, welke zij overliet. Een overzigt der meeningen aangaande de wijze, waarop de wereld ontstaan is, zoude een belangrijk hoofdstuk uitmaken in eene geschiedenis der menschelijke dwalingen. Maar al leert ons het verledene behoedzaamheid, al moge niemand in onzen tijd het in zijne gedachte nemen, om de vrucht zijner bespiegelingen aan anderen als uitvloeisels eener hoogere wijsheid voor te dragen , toch behoeven wij de onthouding niet zoover te drijven, van in onze natuurbeschouwingen alleen te blijven stilstaan bij het thans be- staande, zonder dat het geoorloofd zoude zijn eenen blik te wer- pen in den nacht der tijden, die de schepping van den mensch zijn voorafgegaan. Integendeel, onze eeuw, oneindig rijker aan grondige natuurkennis dan eenige vroegere, heeft gezien, hoe de wetenschap een licht heeft ontstoken , welks stralen diep in dien nacht doordringen en de duisternis in schemering hebben herscha- pen. Reeds verrijzen voor het oog van onzen geest de beelden van vroegere scheppingen, die de tegenwoordige zijn voorafgegaan en waarvan de overblijfselen in den schoot der aarde bedolven liggen. Verder in het verledene teruggaande, aanschouwen wij onze aarde in den toestand, toen zij nog geheel onbewoond was, toen noch dier noch plant aan hare oppervlakte leven kon. En eindelijk zien wij haar, in een eindeloos ver verwijderd tijdperk, als een uit gloeijende gesmolten stoften bestaande bol, die naar alle zijden licht en warmte uitstraalt, even als thans nog de zon. Tot dus ver be- rust de uitkomst onzer beschouwing op zoo vaste gronden , dat zij schier als noodzakelijke gevolgtrekking uit alles, wat de waarne- ming van de gesteldheid onzer aarde leert, moet worden aange- merkt. Maar de wetenschap is verder gegaan. Zij heeft zich de vraag voorgelegd: Van waar is de stof afkomstig, waaruit niet enkel onze kleine aarde, maar alle overige hemelbollen zijn opge-