Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/648

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 238 —

verscheidene duimen middellijns ophoopt. Wordt dan de as ge- draaid , dan neemt de oliebol eerst eene afgeplatte gedaante aan. Vervolgens scheidt zich daarvan een ring af, die zich weldra in kleinere oliebolletjes oplost, welke rondom den grooten droppel ronddraaijen; met een woord, men ziet in dezen kleinen toestel de voornaamste verschijnselen ontstaan, die, volgens de gashypothese , bij de vorming van het planetenstelsel zouden hebben plaats ge- grepen.

Het zal echter ter naauwernood behoeven gezegd te worden, dat wij ons op dezen toestel geenszins beroepen als op een bewijs voor de waarheid der hypothese. Zij brengt haar onder eenen voor onze zinnen waarneembaren vorm, niets meer en niets minder. Evenmin mogen wij uit al het tot hiertoe gezegde iets meer afleiden, dan dat het ontstaan der hemelbollen uit gas, dat later tot nevel werd, denkbaar is. De eigenlijke gronden voor de hypothese, waarop men ten slotte tot hare waarschijnlijkheid zal mogen besluiten, moeten gezocht worden in den bouw der hemelligchamen zelve en in de onderlinge verhouding, waarin zij tot elkander staan, zoodat zij blijken door eenen gemeenschappelijken band verbonden te zijn , die tevens eenen gemeenschappelijken oorsprong verraadt.

Wij zullen ons hier, om ligt te bevroeden redenen, nagenoeg uitsluitend bij ons zonnenstelsel moeten bepalen.

Denken wij ons dus dit zonnestelsel in den toestand, toen de overgang van gas tot nevel reeds was aangevangen. Gelijk wij reeds opmerkten, waren daarin alle de stoffen ondereen gemengd, die de zon, de planeten en manen zamenstellen. In welken staat, als ele- menten of in verschillende verbindingen? Hieromtrent laat zich zelfs niets gissen, maar wat wij met zekerheid mogen aannemen is: dat die stoflen eene ongelijke zwaarte hadden, dat wil zeggen, dat zij met ongelijke kracht naar het middelpunt des nevelbols werden aan- getrokken. De zwaardere stoflen moesten zich dus nabij dit middel- punt ophoopen , de ligtere verder daarvan verwijderd blijven, tenzij de middelpuntvliedende kracht het overwigt behield en hen naar den omtrek dreef. Zoolang echter de snelheid der rondwenteling gering was, kon deze slechts weinig storend inwerken op de wer-