Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/673

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 263 —

hoeveelheid warmte, welke door de zon wordt uitgestraald, eeue jaarlijksche afzetting van stof aan de zonsoppervlakte ter hoogte van 18 ellen vereischt zoude worden; eene hoeveelheid, waardoor de schijnbare middellijn der zonneschijf in 40,000 jaren niet meer dan 1 seconde grooter zoude worden, zoodat derhalve de toeneming van de grootte der zon veel te gering zoude wezen om binnen een tijdsbestek van eenige duizende jaren merkbaar te zijn.

Of eene dezer beide veronderstellingen, ofwel beide te zamen, geheel voldoende zijn om rekenschap te geven van de onverzwakte voortduring der zonnewarmte, en of zij door werkelijke waarnemingen bevestigd zullen worden, zijn vragen, 'die aan latere eeuwen ter be- antwoording zijn overgelaten. Maar duidelijk is het, dat beide geheel passen in de door ons ontwikkelde voorstelling van de wording en voortgaande verdigting van het geheele zonnestelsel. Dat door het digter worden der zonnemassa warmte kan worden geboren, laat zich niet betwijfelen; bij elk gedeelte dier massa, welke uit den gasvormigen in den vloeibaren en uit dezen in den vasten toestand overgaat, moet warmte vrij worden. Evenzeer mag men aannemen, dat van de millioenen kleine ligchamen , die zich in banen rondom de zon bewegen en gedeeltelijk welligt behooren tot den zon- derlingen nevelachtigen ring, welken wij gewoonlijk het zodiakaal- licht noemen, er telkens eenige, al kleinere en kleinere spiraallijnen rondom het groote centraalligchaam van ons stelsel beschrijvende, eindelijk daarop vallen.

De kometen , die , door de geringheid harer massa , slechts weinig in weerstandbiedend vermogen boven de meteörolithen vooruit heb- ben, naderen ook, bij eiken harer omloopen, daartoe al meer en meer. Wij hebben beleefd, namelijk in 1843, dat een groote komeet op eenen afstand van slechts 17 van den straal der zon langs hare oppervlakte is voorbij gegaan. Op dien betrekkelijk uiterst geringen afstand was zij blootgesteld aan eene warmte 47000 maal grooter dan die, welke onze aarde van de zon ontvangt.

Geldt nu ook hetzelfde van de veel grootere en zwaardere he- melligchamen , die in slechts weinig van cirkels verschillende ellipsen de zon omzweven? Komt ook onze aarde en met haar de overige