Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/684

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 274 —

Wij hebben , om het ontstaan der kleuren en het wezen der aan- vullingskleuren te verduidelijken , rood , geel en blaauw als hoofd- of enkelvoudige kleuren aangemerkt, en hoewel deze voor de kleur- stoffen der ligchamen en door de meeste schilders voor hunne verwen praktisch kunnen aangewend worden , zoo is het er echter verre af, dat de wetenschap haar algemeen als de eenige grondkleu- ren aanneemt. Grondige onderzoekingen hebben aangetoond, dat, hoe vreemd het ook schijne, groen dikwijls als eene enkelvoudige kleur optreedt, terwijl wij reeds als kinderen wisten, dat groen uit blaauw en geel is zamengesteld ; en nog vreemder zal het velen schijnen, dat blaauw en geel niet altijd groen maken, maar ook in sommige gevallen wit te voorschijn brengen. Wie zal echter ontkennen, dat het regt hier aan de zijde der wetenschap is, die hare proeven niet met de bedriegelijke en onzuivere kleurstoffen neemt, maar met de heldere gekleurde lichten, die zij doorbreking uit het witte zonlicht verkrijgt.

Dat de kleuren slechts in zoo verre eigenschappen der planten zijn, als deze door het licht beschenen worden, is duidelijk. Oor- spronkelijk zijn de kleuren eigenschappen des lichts. De kleuren der ligchamen veranderen, naarmate het licht, dat deze beschijnt, an- ders is zamengesteld. Bij lamplicht kunnen wij groen en blaauw vaak niet van elkander onderscheiden, en eene bloem, die in het witte zonlicht rood is, wordt kleurloos, wanneer het gele licht van eene spirituslamp, wier pit met keukenzout is ingewreven , haar beschijnt.

Maar zijn de planten hierin slechts lijdelijke onverschillige we- zens, die zich iedere kleur laten welgevallen, waarmede moeder zon haar eigendunkelijk gelieft op te sieren? Waarlijk, dan zouden wij ten opzigte van die zon den dikwijls misbruikten naam van stief- moeder weder moeten misbruiken en diepe weemoed zou ons be- zielen, bij het treurige lot van zoo vele vuil-bruine, vuil-witte en vuil-gele kinderen onzer weiden, die in het niet verzinken voor den glans van eene ijdele klaproos of eene kwaadaardige boterbloem !

Of zouden de planten ook van hare zijde te kennen geven, dat zij eene voorliefde bezitten voor eene of andere kleur ? Zouden de bloemen als pronkzieke meisjes het hoofd naar de zon opheffen en