Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/689

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 279 —

In Thibet groeit de bontbladerige boom Koenboem, van welken slechts een enkel exemplaar gevonden wordt, dat bij de vereerders van Boeddha in hooge achting staat, hoewel om andere redenen als de gestreepte planten bij de beschaafde Europeërs. Op ieder van zijne blaadjes draagt deze boom eene letter van de heilige taal van Thibet, ten minste zoo verzekeren de priesters die hem bewa- ken, en zijn ontstaan is in de poëzie van eene mythe gehuld. Tsong-Kaba, de groote hervormer van het Boeddhismus in Thibet (hij leefde omstreeks het jaar 1400), liet zich, voor hij zijn leven in vasten en gebeden ging doorbrengen, het haar afscheren als een blijk van hulde aan den Godmensch, wien hij zijne dienst wijdde; en uit dit haar ontstond de heilige boom, die tot op den huidi- gen dag het voorwerp is van bedevaarten en aanbiddingen.

Maar het frissche groen, dat eens de lente heeft aangekondigd, bewaart niet lang meer die oorspronkelijke reinheid, die helderlieid, waardoor het een tijd lang het sieraad was der weder ontwakende natuur; het stemt ons niet meer tot vreugde en de gestadige werkino- des lichts ontneemt het de teederheid der jeugd. Allengs verdon- kert het, allengs valt het ons minder en minder in het oog, en vormt ten laatste den achtergrond voor de schitterende kinderen van den zomer, de bloemen. Dan, in het stille middaguur, in den gloed der zon, onder een' donkerblaauwen hemel, bij het gekweel der vogelen en het gegons der bijen, dan zingen ook de planten haren stillen lofzang, hare zwijgende melodie ten volle.

Dat gevoelden onze voorvaderen, toen het licht des Christen- doms nog niet over hen was opgegaan, en zij bij het wiegelen der korenbloemen en klaprozen in het zonnige graanveld zich omrino-d waanden door goede, in stilte weldoende geesten; dat gevoelden de Indiërs, als zij zich in diepe aanbidding nederbogen voor den witten Nelumbium, de goddelijke Waterlelie, de zetel van Iswara, de le- venwekkende natuur; dat gevoelden de oude Grieken, als de roode Anemone tot hen sprak van den vroeggestorven Adonis, als zij in den Gladiolus de laatste klagt aanschouwden van Telamons zoon.

En wij, met onze beschaving en verlichting, gevoelen wij niets bij het aanschouwen der bloemen ? Doet de doordringende geest van