Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/745

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 335 —

voor die beweging is uit andere pogingen om de gedaante der aarde te bepalen te voorschijn getreden. Eeeds in het jaar 1672 werd door richer opgemerkt, dat een slinger uur werk een' anderen gang aanneemt, als het van de eene plaats der aarde naar de an- dere wordt overgebragt, en naar de theorie van newton was dit verschijnsel ligtelijk te verklaren. De tijd, waarin een slinger vaii eene bepaalde lengte zijne schommelingen volbrengt, hangt geheel en al af van de kracht, die hem in beweging brengt en alzoo van de aantrekkingskracht der aarde. Is de aarde naar de polen afgeplat, zoo zal men in de nabijheid van hare polen iets digter bij haar middelpunt zijn dan onder de evennachtslijn ; aan de polen zal de aantrekkingskracht grooter wezen , en dezelfde slinger zal daar minder tijd, dan aan de evennachtslijn, gebruiken, om elke schommeling te volbrengen. Door de tijden te bepalen, in welke dezelfde slinger, aan verschillende deelen van de oppervlakte der aarde, zijne schommelingen volbrengt, of wel, door de lengte te meten van de slingers, die, aan de verschillende deelen van de oppervlakte der aarde, hunne schommelingen in denzelfden tijd volbrengen, leert men alzoo de juiste gedaante der aarde kennen. Voor dat doel heeft men , op vele plaatsen der aarde , met eene verbazende naauwkeurigheid , de lengte van den secundeslinger bepaald, d.i. van eenen slinger, die voor elke schommeling juist ééne secunde gebruikt; maar die onderzoekingen doen voor de gedaante der aarde eene geheel andere uitkomst dan de regtstreek- sche metingen vinden, ten zij men den invloed in rekening brengt, dien de omwenteling der aarde om hare as noodwendig op de lengte van den secunde-slinger moet uitoefenen. Door die wenteling ont- staat eene middelpuntvliedende kracht, die de ligchamen op de oppervlakte der aarde van hare omwentelings-as tracht te verwij- deren, en wel met een grooter vermogen, naar mate zij digter bij de evennachtslijn zijn geplaatst, omdat zij dan, in denzelfden tijd, grootere cirkels beschrijven, en zich alzoo sneller bewegen. De aan- trekkingskracht, die de aarde aan hare oppervlakte uitoefent , wordt, door de middelpuntvliedende kracht uit hare wenteling voortge- sproten, bestreden en verminderd, en daar die vermindering van