Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/79

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE WET DER STORMEN.

DOOR

Dr. F.W.C. KRECKE.

 

 

De wet der stormen! zal welligt menigeen bij zich zelven zeggen, terwijl hij met eenen ongeloovigen glimlach de lezing van dit opstel begint. Doch, lezer, wees niet voorbarig, en laat ons eerst zien of er ook eenige waarschijnlijkheid bestaat, dat er eene wet der stormen zij, en daarna, waarin deze bestaat.

Indien wij op eenen helderen avond de sterren gedurende eenigen tijd gadeslaan, dan bemerken wij weldra, dat zij zich met betrekking tot ons standpunt verplaatsen, de eene meer, de andere minder. Volgen wij die verplaatsing gedurende eenige uren, dan blijkt het spoedig, dat alle sterren cirkelbogen beschrijven van zeer verschillende grootte; dat sommige gedurende twaalf uren van het oosten naar het westen den geheelen hemel doorloopen, terwijl andere kleinere bogen beschrijven, of nagenoeg schijnen stil te staan. Herhalen wij de waarneming den volgenden avond, dan vinden wij op hetzelfde uur nagenoeg denzelfden stand van den hemel terug, als den vorigen; en hoe juister de middelen zijn, waarmede wij de waarnemingen verrigten, des te meer orde en regelmatigheid vinden wij in dit verschijnsel. Eenige hemelligchamen schijnen zich echter aan dien eerst gevonden regel niet te storen en van die volmaakte regelmaat af te wijken. Geven wij evenwel op de hoegrootheid dezer afwijkingen zelve acht, dan blijkt het, dat deze toe- en afnemen, en dus zelve aan regelen gebonden zijn. Aangaande die afwijkingen geldt hetzelfde, dat zoo even is gezegd, dat zij eene des te grootere regelmatigheid vertoonen, naarmate de waarnemingen grootere juistheid hebben. Heeft men