Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/516

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
94
EEN VULKANISCH VISCHJE.

drukt, en olijfgroen van kleur met kleine zwarte vlekjes; de mond is groot en bevindt zich aan het einde van den snuit. Aan de mondhoeken bevinden zich twee baarden, (aan elke zijde een); de neusgaten zijn pijpvormig; de oogen midden op den kop. De tanden zijn talrijk en zeer klein. De huid is met veel slijm overdekt; het kieuwvlies wordt door vier kieuwstralen uitgespannen; de borstvin heeft negen stralen, de eerste rugvin zes; de aarsvin zeven en de gevorkte staartvin twaalf stralen, terwijl de tweede rugvin zonder (adiposa) is. Alle eerste stralen der vinnen zijn aan de buitenzijde getakt. Onder alle meervallen leeft deze zekerlijk wel in de hoogste streken van den aardbol, namelijk op 1700 ellen. Zijne lengte is van twee tot vier duim. Hij leeft in beeken die eene warmte hebben van 10° C. en ook in de rivieren der vlakte, wier temperatuur gelijk is aan 27° C. Gegeten wordt hij slechts door arme Indianen, terwijl de meer gegoeden en de Spanjaarden hem verachten, om zijn vrij afzigtelijk voorkomen en om de slijm, waarmede hij bedekt is.

Wij besluiten dit artikel met de opmerking van den man, die zooveel bijgedragen heeft tot de kennis der vuurspuwende bergen en hunne verschijnselen en voortbrengselen, dat namelijk alle nasporingen, de vulkanen betreffende, wel geleid hebben tot eene meer naauwkeurige kennis van de producten, die uit hunnen boezem te voorschijn komen, maar dat de aard der krachten, waardoor die ontzettende massa's worden opgestuwd uit de ingewanden der aarde, tot heden nog bijna geheel voor ons in het duister gelegen is.