Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/590

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
166
DE MONDEN DER RIVIEREN.

Cauchen bragten de Romeinsche vloten niet zelden in ontzetting en levensgevaar. "Terra non est, sed aquis subjacentibus innatat et suspensa late vacillat, (het is geen land, maar het drijft en hangt al wankelend op de waters) zoo beschreef een Romeinsch geschiedschrijver ons vaderland.

Hoewel het voorzeker overdreven zonde zijn, de vorming onzer veengronden grootendeels aan deze drijftillen toe te schrijven, en er vele andere wijzen van veen vorming bestaan, zoo kunnen wij aan de drijftillen toch eene merkelijke uitbreiding in de geschiedenis van onzen vaderlandschen bodem toekennen. Drijvende wouden vindt men ook in de delta van den Ganges, terwijl de Mississippi wel niet zoo zeer zulke drijftillen bezit, maar jaarlijks eene ontzaggelijke hoeveelheid boomstammen en plantendeelen uit de hoogere wouden van Amerika aanvoert, die tot reusachtige vlotten vereenigd zich aan hare monden afzetten, en de uitbreiding van de delta zeewaarts uitermate bevorderen.

Eene ligt bewegelijke, zich in den loop der eeuwen zamentrekkende, gemakkelijk weg te sleuren veenmassa vulde alzoo de Nederlandsche delta allengskens aan, en toen de eerste menschelijke bewoners van ons vaderland, over wie berigten tot ons gekomen zijn, zich hier gevestigd hadden, vertoonde onze delta eene aaneenschakeling van rivierarmen, meeren, wouden en moerassen. De rivieren veranderden vaak van loop, nu door ophooging van haar bed, dan door een drijvend woud in haar vroegeren loop gehinderd; hier vormde zich een meer door het afstooten van een nieuwen riviertak in eene lage vlakte, elders werd eene waterkom door voortgaande veen vorming en verminderden watertoevoer droog, zoodat eene eenigzins naauwkeurige kaart van ons vaderland in die oude tijden zelfs voor de kundigste mannen een moeijelijk vraagstuk blijft. Wij hebben op onze kaart alleen eenige hoofdtrekken opgenomen, waaruit wij zien kunnen, hoe voor een twintigtal eeuwen een breede tak van den Rijn langs den weg van den tegenwoordigen IJssel liep en zich in een zoetwatermeer uitstortte, dat een gedeelte der Zuiderzee innam, en zich noordwaarts in zee ontlastte; dit zoetwatermeer wordt door velen voor het meer Flevo gehouden, waarvan de oude schrijvers gewagen. Andere hoofdarmen