Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/592

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
168
DE MONDEN DER RIVIEREN.

Wij kennen reeds eenen vijand, die ons ieder oogenblik bedreigt, namelijk den Noordwester storm, die niet alleen de duinen landwaarts injaagt, maar ook de zeewateren tegen onze kusten en in onze landen drijft; die niet alleen eene afneming van onze kusten bewerkte, maar ook vele landen en meeren binnen in de delta in zee veranderde; die voor weinige eeuwen de Zuiderzee deed geboren worden en de boven de Friesche en Groningsche kusten voorhanden landstreken verzwolg. Hoe sterk de afslijpende kracht van wind en zeestroom is, kunnen wij aan den Helder waarnemen, waar binnen drie eeuwen eene niet onaanzienlijke landstreek, met dijken doorsneden, in een vaarwater van ongeveer dertig Ned. ellen diepte werd herschapen. De Noordwester storm schijnt evenwel niet de eenige vijand geweest te zijn, maar ook in eene allengsche daling van onzen bodem zelf moet de oorzaak der vernieling gezocht worden.

Wij treffen onder in de veenen vaak boomstammen aan, in den onderliggenden bodem geworteld, zoodat er geen twijfel kan bestaan, of zij zijn daar ter plaatse gegroeid, en daar zij in het Haarlemmermeer zoowel als aan de Noordelijke kusten van ons land 2 à 3 Ned. ellen beneden den gemiddelden stand der zee voorkomen, zoo moet de bodem sedert hun bestaan merkelijk gedaald zijn, tenzij men wilde aannemen, dat de daar gevonden eiken, berken en andere boomen in vroeger tijd onder water konden groeijen. En ware dit ook al mogelijk geweest, dan zoude toch de veenmassa, die uit kleine planten bestaat, en onder Amsterdam, zoowel als in vele andere Hollandsche en Groningsche veenen, tot op 5 à 6 ellen onder den waterspiegel der zee gelegen is, moeijelijk zonder eene daling van den bodem te verklaren zijn. Immers zoude men dan al onze veenvormingen uit de bezinking van drijftillen moeten verklaren, daar eene ontwikkeling van waterplanten in zoo diepe wateren niet wordt waargenomen. De veenen aan onze Noordelijke kuststreken, wier lagere ligging wij zoo even bespraken, schijnen evenwel niet door drijftillen ontstaan te zijn, maar vertoonen het karakter van op de plaats zelve in het water gevormde veenlagen en pleiten voor eene daling van onzen vaderlandschen bodem.