Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/597

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
173
DE MONDEN DER RIVIEREN.

Hoe geheel anders werd het, toen de bosschen van Germanië verdwenen, de rivieren minder water en slib aanvoerden, en de bedijking der landen hen van hunne natuurlijke ophooging beroofde. Toen was er geene stilstaande watermassa meer, waaruit alles bezinken kon, maar de van alle zijden ingesloten rivieren konden slechts aan hare monden een gedeelte harer schatten afzetten, terwijl een groot gedeelte daarvan verre in den oceaan werd weggevoerd. Terwijl in den ouden tijd de aanslibbing tegen de daling op kon wegen, terwijl toen de plantengroei der lagere veenen een bewegelijken, maar daarom niet minder veerkrachtigen dam aan den aandrang der zeewateren in den weg stelde, terwijl toen het riet uit de fabel van lafontaine aan den wind toeriep "je plie, et ne romps pas"—zoo werd later onze ingedijkte, drooggelegde bodem aan de woede van den oceaan ten prooi gegeven. De duinketen werd verbroken, de eene landstreek na de andere verdween in de golven; krachtige kunstmiddelen werden er vereischt om den kunstmatig daargestelden bodem te beveiligen; het uitgraven der veenen bragt die lage, ver onder de oppervlakte van den oceaan gelegen polders tot stand, waar de maalwerktuigen nimmer ontbeerd kunnen worden, en die met nog meer regt dan onze Zeeuwsche eilanden in haar wapenschild de spreuk mogten voeren "Luctor et emergo."

Wat zal dan, zoo vragen onze lezers welligt, de toekomst van Nederland zijn? Zal ook de bodem verder dalen en de oceaan voortgaan, ons land te vernielen? Wij weten het niet, maar kunnen in allen gevalle verzekeren, dat de verschijnselen, zooals zij zich in den tegenwoordigen tijd geregeld hebben, van niet zoo verontrustenden aard zijn, of ons volk kan met zorg en waakzaamheid nog vele eeuwen den Nederlandschen bodem bewonen. Maar de deltavormingen zijn geen werk voor de eeuwigheid, het zijn en blijven vergankelijke bodems. De nederzettingen aan de monden der rivieren zijn tijdelijke bewaarplaatsen der door de stroomen aangevoerde stoffen, van waar de oceaan ze allengskens medesleept en in zijne grondelooze diepten verzwelgt,—en,

"Was drunten die furchtbare Tiefe verhehle

"Das erzählt keine glückliche menschliche Seele."