Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/607

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

EENIGE BIJZONDERHEDEN

OVER DEN

BAARS.

DOOR

T. C. Winkler

 

 

Het is zonder tegenspraak een oogenblik van rein genot voor den gevoeligen waarnemer van de schoonheden der natuur, als hij, op een zonnigen zomermiddag, een oogenblik rust neemt van zijne nasporingen, aan den oever van een helder water. Zijn blik rust dan met welgevallen op de menigte van water- en oeverplanten, op het gepluimde riet en de heldergroene biezen, op de bloeijende nenuphars en de met goudgele bloemen prijkende inlandsche irissen. Het zonderlinge, zijne teedere worteltjes in het water uitschietende kroos, houdt zijne aandacht bezig, en met bewondering ziet hij de krachtig opgeschotene stengels van wilde kervel en van kalmus. Hij ziet water-insecten in duizende kringen en rigtingen zwemmen en over de onbewogene oppervlakte loopen, zonder die zelfs merkbaar te rimpelen. Eene watertor graaft zich een hol in het slijk en eene huisjesslak knaagt rustig voort aan het blad van eene wilde valeriaan. Op het kleine kleefkruid kruipt de groote zwarte oliefant-rups (Sphinx euphorbiae) en uit de bloemkelken van het lamium album zuigt de luid gonzende hommel zijn voedsel; het zandoogje (Janira) fladdert rond en plooit zijne donzige vleugelen te zamen, rustende op de schijf bloempjes der bellis perennis, en aan den onderkant van een der wortelbladeren van den klis, neemt de vlinder van den linden pylstaart (Smerinthus tiliae) zijne dagrust. Maar op eens wordt de aandacht van den rustenden beschouwer van dat alles afgetrokken en zijn oog geboeid door het plotselinge verschijnen in het kristalheldere water van een vischje, dat als onbewegelijk blijft staan om vervolgens, na eenigen tijd, weder plotseling te verdwijnen